woensdag, september 08, 2010
zondag, augustus 29, 2010
Eric Burdon blijft een (rock)beest
Lessines, of in het Nederlands Lessen, is een stadje gelegen in de provincie Henegouwen, net over de taalgrens en is vooral bekend omwille van het feit dat de beroemde surrealist René Magritte er werd geboren. Sinds enige tijd worden er in het CC Magritte ook uitstekende, vaak Bluesgerichte concerten georganiseerd. Johnny Winter was er in de maand maart al te gast en met Eric Burdon had de organisatie - exclusief voor België - een nieuwe grote naam te pakken.Het uit Erps-Kwerps afkomstige Ganashake bevestigde in het voorprogramma. Di trio is aardig op weg de Belgische blueshoop in bange tijden te worden. De jonge groep, opgericht in 2009, stond dit jaar ook al op het BRBF, (Ge)Varenwinkel en later nog Binkom Blues geprogrammeerd en bruist van jeugdige energie. Dat ze goed naar de oude platen van Rory Gallagher, The Cream, Jimi Hendrix en Ian Siegel geluisterd hebben hoor je van mijlenver. We onthouden van dit optreden vooral een prima cover van ‘Give Me Back My Wig’ (Hound Dog Taylor), maar zullen een volgende keer toch ook onze oordopjes niet vergeten want deze mannen spelen werkelijk loeihard.
Daarna is het wachten op Eric Burdon, de legendarische zanger van The Animals. Naast zijn verdiensten als artiest, staat de zanger ook bekend als bevoorrechte getuige van de muziekwereld in de jaren ’60 en ’70 en verder nog om allerlei fratsen die hij in zijn persoonlijk leven verrichte. Zo was de man erbij toen zijn boezemvriend Jimi Hendrix stierf in Londen, verjoeg hij ooit de apestonede Jim Morrison uit zijn huis met een magnum .44 pistool, sloeg Johnny Rotten op het gezicht toen die iets lelijks zei over The Animals, werd in een Duitse cel gegooid omdat hij contact onderhield met leden van de terroristische Baader-Meinhof groep, was dikke maatjes met Lennon en John Lee Hooker, werd door Brian Jones (en vele anderen) beschouwd als de beste blueszanger van het blanke ras, beweert nog steeds dat, n.a.v. zijn cover van 'The House of the Rising Sun' Bob Dylan besloot om ook 'electric' te gaan spelen, diende The Who tot voorbeeld om instrumenten te vernietigen op het podium, liet Andy Summers (The Police) in zijn groep debuteren als gitarist,... Een gevuld leven, zeg maar, voor de uit Newcastle afkomstige zanger die er anno 2010 ongeveer uitziet als een kruising tussen een buitenwipper van een ongure stripteasetent en overjaarse Britse voetbalhooligan. Maar artistiek gezien doet dit er uiteraard weinig toe.
Toen na de pauze de zaallichten doofden, bleef het publiek minutenlang in het donker staan, wat aanvankelijk enige ergernis opwekte. Maar het werd al snel duidelijk dat iemand met een ego als dat van Eric Burdon pas opkomt wanneer hij dat beslist. Uiteindelijk verschenen the (vernieuwde) Animals, tegenwoordig bestaande uit Billy Watts (Gitaar), Terry Wilson (Bas), Red Young (Orgel/Keyboards) en Brannen Temple (Drums), dan toch op het podium en openden met een Roxy Music-achtige intro. Pas daarna zagen we Eric Burdon (kop thee in de hand) de kleedkamer verlaten om even later de planken te betreden en vocaal uit te barsten in ‘When I Was Young’. Nu de zanger met zijn 69 lentes in de herfst van zijn leven staat, lijkt de song toch een wat ander perspectief meegekregen te hebben dan het psychedelische origineel uit 1967.
De monsterhit ‘Don’t Let Me Be Misunderstood’ duikt vroeg in de set op en krijgt ook een wat meer eigentijdse (reggae) behandeling, desalniettemin staat de song nog steeds als een huis. Dat is onder meer te danken aan het feit dat er nog geen grammetje sleet zit op de stem van Eric Burdon. De man is immers, tussen het zingen door, nog steeds in staat tot het slaken van een machtige schreeuw waarvan je nekharen pal rechtop gaan staan.
‘San Francisco Nights’ (ook uit 1967) sluimert aangenaam voorbij waarna ‘Red Cross Store’ (2006) dienst doet als het enige recente nummer in de setlist. Even later krijgen we een flard ‘I Don’t Wanna Be A Soldier’ (Lennon) toebedeeld, maar het is wachten op ‘It’s My Life’ tot het concert werkelijk op kruissnelheid komt. De versie die we te horen krijgen leunt dicht aan bij de sound van The Animals anno ‘65. Hammond en keyboards vermengen zich met gitaren en de opzwepende stem van Burdon onderstreept met glans het rebelse karakter van deze song.
Daarna doet Burdon verder waar hij goed in is, namelijk het briljant vertolken van andermans werk op het snijpunt van blues, rhythm & blues en rock’n’roll. Tijdens ‘Boom Boom’ laat de zanger zich van zijn beste blueskant horen. The Animals –vergeef me de woordspeling- rocken als de beesten in het van Ike & Tina Turner bekende ‘River Deep, Mountain High’. Bandleden krijgen ieder erg veel ruimte om te soleren, maar doen dat uitstekend, terwijl de zanger zich dan even op de achtergrond plaatst met een koebel of een tamboerijn. De meer dan verdienstelijke gitarist Billy Watts en ouwe getrouwe Red Young, meesterlijk op Hammond en keyboards, verdienen tijdens deze momenten het meest open doekjes.
Jammer dat Burdon zijn concert ontsiert door af en toe wat onnodig te staan kankeren. Eerst krijgt een sms’end meisje op de voorste rij een “Fuckin’ Hell, I just don’t get it!” naar het hoofd geslingerd en enige tijd later scheldt het Animals opperhoofd een securityman om onduidelijke redenen de huid vol. Als Eric enige tijd later zich zingend afvraagt ‘Why Can’t We Live Together?’ hebben wij een alvast een flauw vermoeden waarom…
Natuurlijk zou dit concert niet compleet zijn zonder een versie van de grootste Animals hit ‘The House Of The Rising Sun’, die onder Burdon’s 60’ties behandeling een bijna mythische status kreeg. Nu kreeg deze klassieker een ‘barkruk’ vertolking met aanvankelijk een akoestische gitaarbegeleiding, die na enige strofes naadloos overging in een volledig elektrische versie. Mooi, maar zeker niet het hoogtepunt van de avond.
Neen, dan genoten we meer van het lang uitgesponnen dynamische bisnummer ‘We Gotta Get Out Of This Place’, waarbij The Animals nog eens alle registers opentrokken en waarbij het CC Magritte langzaam transformeerde in een zinderende dierentuin. (Enig surrealistisch taalgebruik is hier op zijn plaats, dachten we.) Daarna vonden Eric Burdon en de zijnen dat het mooi geweest was. En wij, wij zouden deze nog steeds geniale blanke bluesrot absoluut niet durven tegenspreken.
Dit prima georganiseerd concert verdiende overigens een dikke pluim, die we graag op CC Magritte’s bolhoed spelden. We kijken al uit naar de volgende optredens aldaar. (Meer foto's)
maandag, augustus 23, 2010
Leonard Cohen onberispelijk heer en meester in Gent
Terwijl het afgelopen weekend alle pukkels verzamelen bliezen op een wei in Kiewit, begon Leonard Cohen, de Canadese poëtische veldheer van het hart, aan zijn driedaagse veroveringstocht van Gent. En ook al was de strijd, met drie keer een vol Sint-Pietersplein, op voorhand beslecht, toch keken we reikhalzend uit naar het vrijdagse openingsconcert van de éminence grise van de songschrijverij.Terwijl de avondzon nog volop scheen en vele mensen enigszins te laat toestroomden, huppelde een onberispelijk geklede Cohen vrolijk het grote podium op, groette de massa hartelijk en zette stemmig in met ‘Dance Me To The End Of Love’. Toegegeven, het voelde ietwat vreemd aan om de man in het daglicht te beluisteren, want we associëren Cohen en zijn muziek toch eerder met de duisternis. Maar veel tijd om hierover te mediteren kregen we nauwelijks want een concert als dit zuigt meteen alle aandacht naar zich toe. Een half dozijn superieur gebrachte klassiekers passeerden de revue (zie setlist), uitmondend in een eerste hoogtepunt: het door de Spaanse bandurriaspeler Javier Mas van een intense intro voorziene ‘Who By Fire’. En Mas is slechts één van de absolute topmuzikanten die de band van Cohen rijk is. Bassist Roscoe Beck schitterde onder meer tijdens hetzelfde nummer, Keyboardspeler Neil Larson toetste de hele avond op hoog niveau, terwijl het spel van gitarist Bob Metzger niet minder dan geniaal genoemd kan worden. Drummer Rafael Bernardo Gayol, Dino Soldo (op allerlei ‘instruments of wind’), achtergrondzangeressen Sharon Robinson en The (sublime) Webb Sisters vervolledigen dit grandioze dectet. Nog steeds neemt de zanger (letterlijk) de hoed af voor zijn groepsleden, waarbij hij hen, volledig terecht, allerlei fraais toedicht. Tijdens vorige concerten deed hij dit soms net iets te vaak, maar de meester heeft ook hierin leren doseren.
Hoewel de setlist voor het grootste deel hetzelfde oogde als deze van zijn vorige Belgische concerten, trakteerde Leonard Cohen zijn publiek toch op drie nieuwe nummers, waarvan er twee teruggrepen naar de Blues en het derde het best kan omschreven worden als een typische Cohen gospel. Het eerste nieuwe nummer, ‘The Darkness”, dook voor het eerst vorig jaar in Leonard’s programma op en is zoals de titel al laat vermoeden een gitzwarte reflectie over het leven in het algemeen en over een (liefdes)relatie in het bijzonder. De song transformeert Cohen meteen tot een dylaneske bluesman, genre ‘Time Out of Mind’. “I caught the darkness baby /Drinking from your cup/ I caught the darkness baby / from your little ruby cup / I said is this contagious? / You said ‘just drink it up’”. Zoals bij elke goede Cohen-song hoeft de meerduidigheid in de lyrics nauwelijks te worden onderstreept.
Het tweede nieuwe nummer ‘Born In Chains’ volgde meteen al op het eerste. Dit gospelachtig lied bezingt de Joodse uittocht uit Egypte, waarschijnlijk als metafoor voor één van Leonard Cohen’s favoriete thema’s: de vrijheid van de ziel.
Na een gesmaakt bezoek aan het ‘Chelsea Hotel’ en een intens ‘Anthem’ stuurde de zanger ons omstreeks half tien de pauze in. Tijd om even de benen te strekken en van gedachten te wisselen over de unieke prestatie van de nu toch al bijna 76-jarige Canadees. “Leonard Cohen is één van de allerbeste performers ter wereld” was een veelgehoorde klank. We konden dit alleen maar stellig beamen.
Het begin van het tweede deel viel ongeveer samen met de ingevallen duisternis over het Gentse Sint-Pietersplein. Cohen, staande achter een synthesizer, bracht vocaal ondersteund door Robinson en The Web Sisters eerst een doorleefde versie van één van zijn lijfliederen ‘Tower Of Song’. Leonard’s onverwoestbare klassieker ‘Suzanne’, werd zoals verwacht onthaald op een zomers applaus en een paar songs later toverde de zanger met ‘Feels So Good’ het laatste, en misschien wel sterkste, nieuwe nummer uit zijn herenhoed.
Ook nu weer moesten we onwillekeurig aan Dylan denken. Het bluesy ‘Feels So Good’ is slechts zeer recent aan Cohen’s setlist toegevoegd en de tekst durft tijdens zijn laatste optredens al eens te variëren, alsof de definitieve versie nog niet gevonden werd. In dit bittere lied lijkt de singer-songwriter af te rekenen met een oude geliefde, zonder zich er evenwel helemaal van te kunnen bevrijden, ook weer typisch Cohen natuurlijk. “Feels so good / not to love you like I did / It’s like they tore away the blindfold and they said we’re gonna let this prisoner live”.
Tijdens het laatste deel van het concert plukte de zanger naar hartelust verder pareltjes uit zijn rijk gevulde oeuvre. Sharon Robinson kreeg haar moment de gloire tijdens ‘Boogie Street’. ‘Hallelujah’ dreef op een orgelbegeleiding waar alle Gentse kerken en kathedralen van droomden en tijdens de uitgebreide bisrondes wist vooral het blauwverlichte ‘Famous Blue Raincoat’ tot in de ziel te raken.
Vermelden we tenslotte nog een door The Webb Sisteres engelachtig naar de sterren gezongen ‘If It Be Your Will’, een feestelijk ‘Closing Time’ en een ultiem ‘I Tried To Leave You’ en u zal begrijpen dat Gent helemaal aan de voeten lag van de Canadese meester.
First he took Bruges, Brussels, Antwerp & Ghent and then he’ll take… Hasselt? Limburgers, hou jullie alvast klaar volgend jaar. (Meer foto's)
dinsdag, augustus 17, 2010
Jazz-zangeres Abbey Lincoln overleden in New York
Nooit vergeet ik het concert dat ik van Abbey Lincoln zag in de Ancienne Belgique in 1999. Je kon bij momenten een speld horen vallen, de intensiteit die ze wist op te bouwen was vaak adembenemend. Je kon merken dat ze sterk beïnvloed was door Billie Holiday, maar tegelijk ook genoeg persoonlijkheid had om vooral zichzelf te zijn. Samen met haar echtgenoot Max Roach streed ze jarenlang tegen de discriminatie van de zwarten in Amerika en ook dat was vaak te horen in haar teksten. Op haar laatste prachtige plaat ‘Lincoln sings Lincoln’ (2007) kreeg ze onder meer de hulp van gitarist Larry Campbell (die jarenlang met Bob Dylan toerde). Met het overlijden van Abbey Lincoln verliest de jazz één van haar meest markante vrouwelijke stemmen. De zangeres werd 80 jaar.
maandag, augustus 16, 2010
Meeting Jerry Schilling from the Memphis Maffia

Jerry Schilling (Memphis, 1942) ontmoette Elvis reeds in 1954. Al snel werd hij bevriend met Presley en hij zou tot 1977 één van zijn naaste vertrouwelingen blijven. Jerry schopte het tot jongste lid van de zogenaamde 'Memphis Maffia', de onmiddellijke entourage van Presley. Deze man was erbij toen Elvis The Beatles ontmoette in 1966, ging mee op tournee met de King, hing jarenlang rond in Graceland en ontmoette samen met Elvis president Nixon in The Oval Office. Voor zijn bewezen diensten kocht Elvis het huis waar Schilling tot op de dag van vandaag nog steeds in woont. Schilling was ook één van de mensen die de kist van Elvis droeg op diens begrafenis. Enkele jaren geleden schreef Jerry Schilling zijn herinneringen neer in het boek 'Me And A Guy Named Elvis'. Elvis Presley stierf vandaag precies 33 jaar geleden.
donderdag, augustus 12, 2010
U2 opent in Turijn met wereldklasse
Wie zoals wij van muziek houdt én graag reist, krijgt af en toe de kans om een dubbelslag te slaan en aangezien onze vakantiewegen dit jaar de schitterende Italiaanse stad Turijn doorkruisten, konden we niet aan de drang weerstaan om het eerste U2 concert mee te maken van de third Leg of the 360° tour. Het integrale tweede deel van de tour werd door de groep gecancelled omwille van gezondsheidproblemen van zanger Bono. De brave man sukkelde namelijk met een serieuze hernia, die hij had opgelopen de dag na zijn vijftigste verjaardag. Dit zette de groep maandenlang op non-actief, tot grote wanhoop van tienduizenden fans die de Amerikaanse concerten van de Ierse groep op hun buik konden schrijven.Er werd dan ook aardig gespeculeerd over wat de band er in Turijn zou van bakken. Zou Bono wel fit genoeg geraken voor een nieuwe Europese tournee? Klopte het dat de groep nieuwe nummers had ingestudeerd? Wat mochten we eigenlijk nog verwachten van U2, nu Bono de kaap van de vijftig voorbij is? Zou Turijn een afgang worden en lag de lijkwade voor Bono al klaar? Bewust van dit soort vragen waar het internet dagenlang van gonsde, bereidde de groep zich bijzonder goed voor op dit openingsconcert. Met de regelmaat van de klok berichtten fans die kampeerden voor het Stadio Olympico (de thuisbasis van zowel Juventus als FC Torino) over grote U2 bedrijvigheid en lange repetitierondes. Op de vooravond van de grote dag werden deze trouwe fans na de ultieme repetitie trouwens door Bono & Co getrakteerd op zowel pizza als op handtekeningen van zichzelf en de andere groepsleden, hetgeen scènes opleverde die op de morgen van de zesde augustus zowat alle Italiaanse kranten sierden.
De Britse groep Kasabian kreeg dit keer het voorprogramma toebedeeld. De band die in Engeland al een paar jaar lang brokken maakt (onder meer als winnaar van diverse muziekprijzen zoals de Brit Award voor ‘beste groep’) en in de UK stilaan Oasis naar de kroon steekt, deed het meer dan behoorlijk in Turijn. Lefgozer Tom Meighan bewees (net zoals hij in de AB enkele maanden geleden liet zien) dat hij weet hoe hij een (groot) publiek moet bespelen. Bovendien heeft Kasabian met Sergio Pizzorno een klassebak van een gitarist in huis. Met song als ‘Where Did All The Love Go?’, ‘Vlad The Impaler’ en vooral ‘Fire’ (door MOJO nog verkozen tot song van het voorbije jaar) oogstte Kasabian bij de Italianen net iets meer dan het gebruikelijke beleefdheidsapplaus, wat op zich geen slecht resultaat was want iedereen wachtte natuurlijk op de supergroep uit de Ierse Republiek.
U2 liet op zich wachten tot op het moment van volledige duisternis. Op de tonen van Bowie’s ‘Space Oddity’ beklommen Bono, The Edge, Adam Clayton, Larry Mullen Jr. het immense podium en zetten meteen een splinternieuw instrumentaal nummer in, waarvan we later horen dat het ‘Return of the Stingray Guitar’ heet. 42.000 uitzinnige Italianen juichen de zwartlederen, uitdagend dansende Bono luidkeels toe. De eerste rijen vormen met honderden groen , wit, oranje gekleurde papiertjes de wapperende Ierse vlag. Wat verder zwaaien dolenthousiaste mensen met ontelbare rode ballonnetjes, duizenden fotoflitsen verlichten het stadium, kortom: feest! ‘To-ri-noooo’ schreeuwt Bono en meteen daarna jaagt The Edge de intro van ‘Beautiful Day’ het universum in, waarop het stadium even later bij het refrein helemaal op zijn grondvesten davert. Werkelijk iedereen klapt en zingt mee, quasi onmogelijk om hiervan niet onder de indruk te geraken. ‘What Time Is It In The World?’ wilde Bono retorisch weten. Het daarop volgende ‘Magnificent’ is opnieuw een schot in de roos. The Edge laat zijn gitaar stotteren en stuiten, Adam en Larry houden het ritme strak, het ‘Only Love’-stukje krijgt opnieuw een massale samenzang. …
Zo davert de U2 pletwals onverstoort verder over het nachtelijke Turijnse Stadio Olympico . Klassenummers als ‘Mysterious Ways’ en ‘I Still Haven’t Found What I’m Looking For’ zetten de plek eens te meer in vuur en vlam. Tussendoor laat Bono de Italianen eventjes ‘Happy Birthday’ zingen voor de pas twee dagen later jarige The Edge (49). Even later vraagt de zanger onze onverdeelde aandacht voor een nieuwe song, ‘Northstar’ genaamd. Stadiumverlichting gaat uit en duizenden aanstekers en mobiele lichtjes zijn een tijdlang de enige verlichting in de arena. Het nummer zelf is een akoestisch pareltje dat moeiteloos zijn weg naar de sterren vindt. Alsof dat nog niet genoeg is trakteert U2 ons daarna nogmaals op een splinternieuw nummer dat de titel ‘Glastonbury’ meekreeg, opgedragen aan het bekende muziekfestival (waarop zowat alle bekende artiesten ooit hebben gestaan, behalve U2 zelve). ‘Glastonbury’ blijkt een oerstevige rocksong van typische U2-signatuur (genre ‘Vertigo’) en stevent ongetwijfeld af op een mooie (Live) toekomst. Tot zover de primeurs, dachten Bono en zijn orkestje die daarna weer overschakelden op bekend materiaal
We onthouden vooral het aardige ‘In A Little While’, begeleid met videobeelden van ‘onze’ Frank De Winne, het deels in het Italiaans gezongen ‘Miss Sarajevo’, het wonderschone ‘City Of Blinded Lights’ en het onvermijdbare ‘Sunday Bloody Sunday’. Bono, de wereldverbeteraar maakte ook nu weer wat welgemeende promotie voor Amnesty International en via een videoboodschap van de Zuid-Afrikaanse Bisschop Desmond Tutu leerden we dat we ons als ‘ONE’ moesten gedragen, hetgeen dan weer een goede aanleiding bleek om de song met dezelfde titel de arena in te sturen. Vermelden we tenslotte nog ‘With Or Without You’ en ‘Moment of Surrender’ als ultieme orgelpunten van een concert dat ons nog lang zal bijblijven. We konden niet anders dan concluderen dat U2, met een magnetiserende frontman als Bono , een vlijmscherpe gitarist als The Edge en last but not least een ijzersterke ritmesectie als die van Clayton en Mullen absolute wereldklasse blijft.
Tijdens het verlaten van de Italiaanse voetbaltempel bemerkten we alleen maar tevreden gezichten. De niet officiële merchandising die overal in de straten van Turijn werd aangeboden verkocht nog tot diep in de nacht als zoete broodjes. De volgende morgen blokletterde ‘La Stampa’: ‘U2 a Torino, concerto leggenda per i santi rockettari’. Geen woord van gelogen.
Toch geven we nog graag deze uitgeleide mee: wie sowieso allergisch is voor dit soort megaconcerten, blijft in september best weg uit het Koning Boudewijnstadium. Maar voor anderen, die niet schuw zijn voor uitvergrote showelementen, genre The Rolling Stones op Werchter, is deze 360° tour van U2 een stevige aanrader.
(Meer Foto's of Lees)
woensdag, augustus 11, 2010
Alice Cooper springlevend in ’Theater des Doods’
Voor het eerst stond er op de Lokerse Feesten een heuse metaldag op het programma. Drie groepen (Anthrax, Papa Roach, Life of Agony) lieten we gewillig aan ons voorbijgaan, maar voor goede ouwe Alice Cooper wilden we wel nog graag onze aandacht helemaal op scherp stellen. Het formidabel concert dat de shockrocker vorig jaar gaf in Zottegem zat immers nog fris in het geheugen. Een beetje vreesden we om krék dezelfde show te zullen meemaken als toen, maar dat bleek gelukkig niet het geval.Om de show die de man opvoert is het natuurlijk deels te doen, maar wie denkt dat dit volledig ten koste gaat van de muziek is slecht geïnformeerd. Cooper weet zich de laatste jaren immers te omringen met een horde jonge muzikanten die spelen met de gretigheid van hongerige wolven die bloed ruiken (wat in het geval van Alice Cooper wel eens zou kunnen, al zal het hier dan wel om namaakbloed gaan). Moord en doodslag blijft immers hét centrale thema in Alice’s ‘Theatre of Death’ tour. Maar terwijl Cooper tijdens zijn beginjaren hiermee de mensen echt nog kon shockeren, is het nu allemaal vaudeville geworden, doorspekt met humor. Het belangrijkste blijft echter wel dat het werkt en dat is zeker het geval want vervelen doe je je geen moment.
Cooper, bijzonder goed bij stem in Lokeren, opende sterk met ‘School’s Out’, dat gezien de tijd van het jaar op veel meeval van het jeugdig publiek kon rekenen. ‘No More Mr. Nice Guy’ dat daarop volgde, maakte meteen de levensfilosofie van de Amerikaan duidelijk: ‘Hoera, vanavond mag ik de ondeugende zijn!’ ‘I’m Eighteen’, een leugentje om bestwil zullen we maar denken, zong Alice met de overtuiging van een rebelse tiener. De aanwezige jeugd in Lokeren scandeerde de song met opgestoken duivelshandjes uit volle borst mee. Omdat stout zijn gestraft dient te worden en schuld onvermijdelijk tot boete leidt, werd de zanger met grote gebaren in een dwangbuis geduwd. Het zingen lukte tijdens ‘Wicked Young Man’ en ‘Ballad of Dwight Fly’ echter nog wonderwel en onze held slaagde er zelfs in om zich uit zijn benarde positie te bevrijden, daarna een vrouw (gespeeld door zijn dochter, Calico) te mishandelen en deze later ook te wurgen (‘Only woman Bleed’). Omwille van al deze fratsen diende onze sympathieke rocker te worden veroordeeld tot de dood op het schavot. Na enkele glanzende gitaarsolo’s (die er mochten zijn) van zijn meestergitaristen Chuck Garric, Damon Johnson en Keri Kelli verrees de zanger een tijdje nadien gelukkig weer uit den dode om later in de show nog eens te worden doodgespiest, te sterven aan de galg of doorboord te worden door een reuze injectienaald. ‘I Love The Dead’ klonk het feestelijk door de boxen en we moeten toegeven dat sterven nooit zo sexy oogde dan op Alice’s manier. Er zit bij de zwaar geschminkte rocker misschien meer dan één vijs los, maar daar is in feite niks mis mee, integendeel.
Maar moest het alleen maar om theater gaan, konden we beter naar de schouwburg trekken. Gelukkig trakteerde Cooper, tussen het doodgaan door, ook nog op enkele van zijn meest onweerstaanbare klassiekers. Zo smaakte gif nog nooit zo zalig als in het massaal meegebrulde ‘Poison’. ‘Billion Dollar Babies’ daverde als een zware fiets op kinderkopjes, wat eveneens het geval was bij ‘Feed My Frankenstein’.
Maar Alice Cooper haalde pas helemaal zijn slag binnen tijdens het ijzersterke ‘Elected’, waarbij hij volledig gekleed in een ziveren glitterpak, wild met de Belgische driekleur zwaaide. ‘I Know there are troubles in Brussels and Antwerp, but you know what? I don’t care!’ liet Alice tussendoor ook even weten in zijn verkiezingsspeech. Daar konden De Wever en Di Rupo nog eens een puntje aan zuigen! Een enthousiast onthaalde herneming van ‘School’s Out’ sloot het concert op vlammende wijze af. Alice Cooper blijft een uniek stukje muziektheater dat we iedereen durven aanraden. (Meer foto's)
maandag, juli 26, 2010
Fogerty triomfeert op Kick-Off Suikerrock
Doors: 19 uur, stond er in grote letters op de affiche en rondom dat tijdstip openden Robbie Krieger en Ray Manzarek, de originele Deuren van weleer, het Suikerrockfestival. We zagen de overlevers van de legendarische groep al een paar keer eerder aan het werk tijdens de voorbije jaren. Onder de namen ‘Doors of the 21th Century’ en daarna ‘Riders On The Storm’ leverden Krieger, Manzarek & Co in het verleden telkens gedreven concerten af, waarna wij, als volbloed Doors-fans, tevreden huiswaarts keerden. Tijdens deze periode mocht Ian Astbury (The Cult) de rol van Jim Morrison vertolken en deze kwijtte zich behoorlijk van zijn taak. Na Astbury kreeg Brett Scallions (Fuel) zijn kans om in de huid van Morrison te kruipen. Niet lang, want hij werd al spoedig de laan uitgestuurd.In Tienen stond een Kroatische zanger, met een naam die een beetje klinkt als een ex-joegoslavische oorlogsmisdadiger, achter de microfoon. Miljenko Matijevic zag er niet alleen uit als een gebuisde deelnemer van Idool van de Balkan maar klonk ook zo. Geen enkel moment kwam zijn act geloofwaardig over en ook muzikaal boterde het niet. Van een machtige song als ‘Break On Through’ bleef geen spaander heel. ‘When The Music’s Over’ deed ons verlangen naar het moment dat in de songtitel beschreven staat. Maar het werd nog genanter als de 71-jarige Manzarek het volk aanzette tot het gebruik van marihuana en LSD. Krieger, met Morrison T-shirt en een broek die Prins Carnaval jaloers zou maken, degradeerde samen met zijn makkers ‘Alabama Song’ tot een onnozele hoempapa, die –in het beste geval- nog door mijn suikertante kon worden gesmaakt. Het Tiense publiek pikte dit echter zonder morren en zwaaiden met de armen alsof er opnamen gemaakt werden voor ‘Tien om te Zien’. ‘Love Me Two Times’ zong Matijevic daarna schreeuwerig met gebalde vuisten. We konden alleen maar hopen hiervan gespaard te blijven. Van dit machogedoe, verlos ons Heer. De gitaarintro van Krieger bij ‘Spanish Caravan’ kon nog enigszins boeien maar afsluiter ‘Light My Fire’ genereerde op geen enkel moment een orgastische steekvlam zoals in verleden want tot meer dan een uitdovend waakvlammetje bleken deze klapdeuren niet in staat. Doodjammer.
Kort daarna was het de beurt aan John Fogerty. Vanaf de eerste noot wisten we dat dit geheel andere koek zou worden. ‘Hey Tonight’ schoot vurig uit de starttblokken. ‘Green River’, één van CCR’s allerbeste nummers, beet van zich af als een stel hongerige alligators in de Mississippi., waarna Fogerty met ‘Who’ll Stop The Rain’ een eerste kippenvelmoment opdiende. Ongelooflijk met wat voor straffe band Fogerty voor de dag kwam. De volledig uit graniet opgetrokken Kenny Aronoff, één van de sterkhouders uit deze groep, heeft al jaren zijn plaats in de Champions League der drummers verdiend. Op elk moment slaat hij spijkers met koppen. Maar ook de andere bandleden mochten er wezen. Op een bepaald moment stonden zes (6!) gitaren prinsheerlijk naast mekaar te jengelen. Nu en dan hoorden we vleugjes country passeren, waarbij viool en mandoline vlotjes bij het instrumentarium werden gevoegd. Eigenlijk bestond dit concert enkel en alleen maar uit hoogtepunten, maar omdat we u horen aandringen willen we graag toch nog enkele namen noemen. Het weergaloze ‘Ramble Tamble’ bijvoorbeeld, dat rockte als de beesten zoals alleen de beesten en Forgerty kunnen rocken. Een stel mooie covers als ‘Pretty Woman’ en ‘Summertime Blues’ waarin Fogerty zijn hele ziel prijsgaf. En wie voor de vierslag ‘Bad Moon Rising’, ‘Fortunate Son’, ‘Rocking All Over The World’ en ‘Proud Mary’ niet door de knieën gaat is een houten Klaas of heeft iets verkeerd gegeten. Game, Set, Match: John Fogerty!
Even voor elven was het tijd voor de bekendste Amerikaanse baarden uit de rockwereld. Soms vragen wij ons vertwijfeld af waar die mannen met hun verstand zaten toen ze hun look uitvonden. Zoiets moet na veertig lange jaren toch om gek te worden zijn. Of God. Hoe dan ook, met het schitterende concert van Vorst 2009 nog fris in ons geheugen stonden onze verwachtingen hoog gespannen.
ZZ Top zette lauw in met ‘Got Me Under Pressure’, dat de belofte uit de songtitel geenszins waarmaakte. Zanger Billy Gibbons zag er wat vermoeid uit (druk tourschema) en was (mogelijk hierdoor) duidelijk slecht bij stem. Daarenboven stond het volume veel te laag en haalde de groep zelf de vaart uit hun optreden door al te vaak hun nummers te onderbreken, alsof ze zich om één of andere reden moesten inhouden. Het tempo bleef sowieso te traag. Toppers als ‘I’m Bad I’m Nationwide’ en ‘Cheap Sunglasses’ braken daardoor geen potten maar verzonken in een egale geluidsbrij. De Hendrixcover ‘Hey Joe’ klonk even later nog wel aardig, maar daarna leek zowat elke song een kopie van de vorige. De finale met ZZ Top klassiekers ‘Give Me All Your Lovin’’, ‘Sharp Dressed Man’, ‘Legs’ en ‘La Grange’, allen ondersteund door leuke videobeelden op groot scherm, schudde de massa nog wel wakker maar tot de verwachte zegetocht leidde dit helaas niet meer. We kunnen alleen maar vurig hopen dat de heren Gibbons, Hill & Beard tijdens het najaar in Vorst uit een ander vaatje zullen tappen.
Tenslotte mocht Zaki, de Vlaamse godfather der DJ’s, de avond afsluiten achter zijn draaitafel. ‘(I Can Get No) Satisfaction’ knalde als vanouds gemeen(d) uit de boxen.
(zie foto's)
donderdag, juli 22, 2010
Bluesoogst in Peer viel magertjes uit
Vol verwachting trokken wij ook dit jaar naar de Hoogmis van de Blues in Peer maar het werd een beetje een tegenvaller. De namiddag was nochtans goed begonnen. Dankzij Dwayne Dopsie & The Hell Raisers en hun onweerstaanbare Zydeco muziek sloeg de vlam al vroeg in de tent. Dopsie, een uitstekende accordeonist en zijn uitstekende band waarin een fantastische wasbordspeler fungeerde, brachten een hele set lang muzikaal vuurwerk. Daarna mocht de legendarische Booker zijn kunstjes tonen op de Hammond B-3. Instrumentals als ‘Green Onions’, ‘Hip Hug-Her’ en ‘Soul Limbo’ speelde hij naar de hemel, maar als zanger / gitarist schoot de sympathieke Booker toch wat te kort. Eli Paperboy Reed lieten we al snel aan ons voorbijgaan, wegens te veel Amerikaanse poeha en te weinig origineel. Geen nood, dachten wij want wij hadden ingezet op Van Morrison. Het bleek achteraf een verkeerde gok. De humeurige Noord-Ier slaagde er wel in de dranktenten enige tijd plat te leggen, tot groot ongenoegen van het publiek die hem daarvoor, bij zijn aantreden, op een verdiend fluitconcert trakteerden, maar zelf bakte hij van zijn optreden helemaal niks. Muzikale impotentie is zowat de enige omschrijving die we aan Morrison’s gemompel- want zingen kunnen we die nauwelijks noemen - kunnen toeschrijven. Niemand, zelf Gloria niet, kon het zinkend schip van Van The Man redden. En aangezien dit het derde slechte concert op rij was waarvan we het ongenoegen hadden om het mee te maken, zal er veel overredingskracht nodig zijn om ons nog een volgende keer te mobiliseren als Morrison in het land is. Afsluiter Canned ‘We- stoppen-pas-als-we-doodvallen’ Heat stelde niet teleur, maar konden ons toch ook geen volledig concert lang boeien. ‘On The Road Again’ en ‘Going Up The Country’ blijven echter songs die we eeuwig in het hart zullen dragen. Maar de Perenoogst anno 2010 bleef desalniettemin toch wat magertjes. Mag het volgend jaar terug iets meer zijn? (Klik op de collage bovenaan om te vergroten)
maandag, juli 19, 2010
Flip Kowlier en The Original Wailers laten het zomeren
De symphatiekste onder alle West-Vlaamse artiesten stond in het Rivierenhof misschien net iets te vroeg geprogrammeerd. Het volk stroomde nog volop binnen toen Flip Kowlier en zijn Moaten, bestaande uit een full band, inclusief twee fijn bewegende achtergrondzangeressen, hun set inzetten met ‘Zwembad’. Al snel gooide hij ‘Mo Ban Nin’ er tegenaan, zijn grootste hit uit zijn nieuwste plaat ‘Otoradio’, waarvan we even later ook nog het titelnummer voorgeschoteld zouden krijgen.
Uit de bindteksten onthielden we dat Flip van wel degelijk van Antwerpen houdt en dat hij –origineel als hij is- af en toe zichzelf covert, hetgeen hij inderdaad bewees met leuke herwerkte versies van ‘Grootste Lul van’t Stad’ en ‘Welgemeende’. De Izegemse bard bracht alles bij elkaar een gesmaakte combinatie van ska, reggae en Vlomsche Popmuziek. ‘Mama (No Wo Homme Hon?)’ bleek andermaal een voorbeeldige getuigenis dat de nieuwe plaat van Kowlier deugt. Alleen jammer dat het publiek zich wat tam gedroeg (de warmte?) want Flip & orkest verdienden meer dan alleen maar wat doordeweeks applaus. Het laatste nummer ‘Is dit alles?’, een cover van Doe Maar bracht wel wat meer sfeer in het openluchttheater en had hij toen nog een uurtje kunnen doorgaan was de hele zaak misschien wel ‘In de Fik’ gegaan. Maar die kans kreeg Flip Kowlier en de zijnen helaas niet, want inmiddels stond de artiestenbusje, met daarin The Original Wailers al klaar.
Hoe origineel de The Original Wailers anno 2010 precies nog zijn is nog altijd de vraag. Terwijl pakweg twintig jaar geleden The Wailers Band nog bestond uit een pak meer originele leden (waaronder Aston ‘Family Man’ Barett en Tyrone Downie) en daarenboven geregeld optraden met de orignele I-Trees, spelen in het huidige sextet enkel nog Junior Marvin en Al Anderson mee. Dit duo kreeg in het Rivierenhof het etiket ‘original’ Original Wailers opgeplakt. En we moeten toegeven dat deze voormalige dienaren van de Reggaekoning de muzikale erfenis van hun voormalige broodheer Bob Marley met zorg uitdroegen. De groep bracht een set bestaande uit bekende en minder bekende Marleysongs, aangevuld met wat eigen materiaal dat er mocht zijn.
Met opener ‘Natty Dread’ lokten The Orinal Wailers meteen een groot deel van het Antwerpse publiek naar voren om zich de rest van de avond op de tonen van de heilige reggaemuziek te komen uitleven. Dit volkje bestond waarlijk uit mensen tussen zeven en zevenenzeventig jaar oud. Ouwe landrotten en rastafari’s zowel blank als zwart, dansten schouder aan schouder met vaders en zonen, moeders en dochters. De muziek van Bob Marley verenigt alle leeftijden want is per definitie tijdloos, zoveel is zeker. Jah knikte glimlachend in de coulissen en zag dat het goed was.
Maar terug naar de muziek. ‘Positive Vibration’ is de energie waar alles bij de rastafari’s allemaal om draait en de song werd dan ook flink meegebruld door alle gelovigen. ‘War’ klonk fel, al had het niet de opruiende kracht die Marley er ooit aan gaf. Junior Marvin nam vaak de zangpartijen voor zijn rekening al kreeg keyboardspeler Desi Hyson hiervoor ook zijn kans. Al Anderson blonk de hele avond uit op leadgitaar, maar trok met zijn gitaarspel soms net iets te veel aandacht naar zich toe met partijen die richting metal dreigden te evolueren. Keep it simple, Al!
Eén van de hoogtepunten van de avond volgde met een heerlijke versie van ‘Stir It Up’, quasi perfect door de groep met Marley’s oudgedienden neergezet. ‘Forever Lovin’ Jah’ prees de Heer terwijl stilaan allerlei Ganja luchtjes het luchtruim voor het podium vulden.
Eigen nummers als ‘Solution’, ‘We’re The Children’ en ‘Black Bird Fly’ moesten de aandacht trekken op de nieuwe cd van deze groep die begin volgend jaar uitkomt. Het zal dan tevens dertig jaar geleden zijn dat Bob Marley voorgoed naar de eeuwige rastavelden verdween. Onnodig te zeggen dat deze songs de vergelijking met de Marley klassiekers niet echt konden doorstaan, al klonken ze zeker niet verkeerd. Nieuw materiaal houdt een band als deze, die toch al vooral retro nummers ten gehore brengt, levendig. Het publiek bedankte met beleefd applaus.
Verder vonden we het aangenaam dat The Original Wailers naast het overbekende werk van Marley ook voor minder bekende songs van de grootste reggaeartiest allertijden kozen. Denken we bijvoorbeeld maar aan half vergeten pareltjes als ‘We And Dem’, ‘Heathen’ of zelfs ‘Pimper’s Paradise’.
Wie tenslotte nog eens uitstekende versies van ‘Buffalo Soldier’, ‘Three Little Birds’ en het ultieme ‘Jammin’’ als uitsmijter ten gehore krijgt, mag Jah, The Lord dankbaar zijn. Vol van genade reden wij met de reggaeritmes nog in ons hoofd helemaal terug naar Babylon (omdat wij de wegwijzers naar Jamaica helaas niet meer konden vinden). Rastafari! (Foto's: hier en hier)
vrijdag, juli 09, 2010
Caetana Veloso kleurt AB Braziliaans
Terwijl miljoenen kijkers vol spanning de voetbalthriller Duitsland-Spanje volgden, bood de Ancienne Belgique de culturele meerwaardezoekers een schitterend alternatief in de vorm van een concert van de Latijnse superster Caetana Veloso, een beroemde Braziliaan als het ware , die –voor één keer- zelfs geen voetbalvedette hoefde te zijn.Veloso hoeft nauwelijks voorgesteld te worden. Zijn status ligt in Latijns-Amerika even hoog als die van zijn leeftijdsgenoten Paul McCartney of Bob Dylan in de rest van de wereld. Hij mag tot op de dag van vandaag beschouwd worden als één van de meest populaire en invloedrijke songschrijvers en zangers van het Zuid-Amerikaanse continent. Ook als linkse intellectueel die zich fel keerde tegen de dictatuur die tot midden de jaren tachtig heerste in Brazilië is Caetana Veloso genoegzaam bekend.
De laatste jaren trad de zanger met de regelmaat van de klok op in ons land. Het allereerste concert dat we van hem zagen in een uitverkocht Paleis voor Schone Kunsten zullen we nooit vergeten en ook het optreden van 2007 in dezelfde Ancienne Belgique waarin hij veel Engelstalige covers bracht is ons flink bijgebleven.
Deze keer trad de Braziliaanse nachtegaal aan met een heuse rockband bestaande uit drie jonge muzikanten: Pedro Sá (gitaar), Ricardo Dias Gomes ( Bas/Keyboards) en Marcelo Callada (drums). Gezien het leeftijdsverschil (Caetana moet ogeveer even oud zijn als de drie samen) leek het er een beetje op dat er een hippe universiteitsprof vergezeld van enkele van zijn studenten op het podium stond. Dit gevoel werd nog wat versterkt door een grote deltavlieger die als een soort versiering op de planken stond en de drummer helemaal overvleugelde. Muzikaal hoefden we ons echter weinig zorgen te maken want alles viel vanaf de eerste noot mooi in zijn plooi.
De stevige samba “A Voz Do Morto” (Stem uit de Dode) deed dienst als ideale opener. Met dit nummer stuurde de zanger een hoopvolle boodschap uit (Ik ben moedig / Ik ben de samba / De stem van de doden / Achter de muur / De tijd voor alles / Wereldvrede / In de glorie!) die door het publiek meteen werd opgepikt.
Er volgden meer songs met de samba als onderliggend ritme, maar creatieve geest Pedro Sá voegde af en toe ook wat dissonante klanken toe met zijn gitaar. Hij beschikte tevens over een groot arsenaal pedaaltjes die hij naar hartenlust wist te gebruiken. Soms speelde de band zelfs echt hard en dachten we even aan omschrijvingen als samba metal of samba punk. Maar gelukkig liep het niet zo’n vaart.
Tijdens ‘Perdue’ kreeg Veloso alle kansen om zijn gouden falsetstem, toch zeker één van zijn handelsmerken, te gebruiken. Wat later volgde het enige Engelstalige nummer uit de set, daterend uit 1971 toen Veloso in Londen resideerde : “Maria Bethânia”, tevens opgedragen aan de zus van Caetana met dezelfde naam. De heerlijke song ‘Irene’ volgde en ontpopte zich tot een meezingmoment voor iedereen die het Portugees machtig was. Het Spaanse “Volver’ was een ander pareltje dat de zanger uit zijn mouw schudde. Zijn verbodenheid met de Spanjaarden zou later nog blijken toen hij enthousiast de einduitslag van de halve finalewedstrijd de zaal toeschreeuwde.
Dat Caetana Veloso nog steeds zijn politiek engagement niet verloren heeft moest blijken uit het dreigende “Base de Guantánamo” (uit zijn jongste plaat ‘Zii e Zie’). Daarna bracht de Braziliaan nog enkele heerlijke Bossa Nova nummers solo op de akoestische gitaar, waardoor de Ancienne Belgique stilaan veranderde in een Tropicalia Tempel. Zeker als daar nog wat extra sambaritmes op volgden.
Na een optreden dat bijna twee uur duurde bedankte de artiest tijdens de bisnummers nog met het zomerse “A Luz de Tieta” dat opnieuw flink werd meegezongen en nam dan als een tevreden man afscheid. Pogingen om de zanger daarna nog terug op het podium te lokken mislukten, al bleef het Brusselse publiek minutenlang schreeuwen om meer.
Buitengekomen merkten we hoe onze hoofdstad stormenderhand ingenomen werd door feestende Spaanse voetbalsupporters. Muzikaal had echter Brazilië al lang gewonnen. (Meer Foto's)
donderdag, juli 08, 2010
Melody Gardot als een nachtegaal in het Rivierenhof
Een heerlijk zomerweertje en een schitterende artieste op de affiche van het openluchttheater in het Rivierenhof. Hoe zalig kan vakantie zijn? We zitten nog steeds te dubben op een afdoend antwoord op deze vraag. Feit was dat we wel heel erg uitkeken naar de passage van Melody Gardot, vooral met haar overrompelend optreden in het Koninklijk Circus van eind vorig jaar in het achterhoofd.Als voorprogramma kregen we het Antwerpse Dez Mona op het menu dat deze keer als trio optrad. Dit gezelschap brengt een mix van jazz & pop met daarover een laagje soul. De wendbare stem van zanger Gregory Frateur durft soms wel eens bekoren, maar we moesten vooral denken aan een zekere Morrisseyaanse dramatiek als we de zanger bezig zagen. Het trio speelde echter een thuismatch en kreeg een zekere bijval bij het publiek, maar er zal meer nodig zijn om ons helemaal te overtuigen.
Onder het licht van de warme ondergaande zon verscheen Melody Gardot en haar band ten tonele. De platinablonde Amerikaanse zag in long dress-mode een beetje uit als een kruising tussen Grace Kelly en Kim Novak. De wandelstok waarmee ze zich bediende vloekte enigszins met de naaldhakken die ze droeg, maar dat moest misschien wel de bedoeling zijn. Net zoals in Brussel begon ze haar set aan de piano met het betoverende ‘The Rain’, onmiddellijk gevolgd door het asdonkere ‘Your Heart Is As Black As Night’. Dit soort vocale jazz behoort tot de absolute top binnen het genre, wisten wij meteen al na een paar nummers.
Meteen viel ook op hoe fantastisch het orkest speelde dat de jonge jazzgodin mocht begeleiden. Saxofonist Irwin Hall liet uit zijn instrument haast goddelijke klanken horen. Even deed hij ons zelfs wat aan Sonny Rollins denken maar vooral qua acrobatie heeft deze jongeman nog weinig te leren. Zo blies Hall op zeker zelfs op twee saxofoons tegelijk, een huzarenstukje waarvoor hij een open doekje kreeg. Ook op klarinet en fluit wist deze muzikant zich verder te onderscheiden. Daarnaast stond er aan de contrabas ene zekere Charnett Moffet, een man die al acht soloplaten op zijn naam heeft staan en samen werkte met grotheden als McCoy Tyner en de Marsalis broertjes. Charnett verblijdde het publiek met enkele fel gesmaakte solo’s op zijn instrument en deed voor de rest zijn werk zoals het hoorde. De fijnzinnige drummer Charles Staab en de jonge Duitse Cellist Stephan Braun vervolledigden dit magnifieke orkest.
Maar de meeste aandacht ging uiteraard naar Gardot zelve. Rechtstaand en zachtjes wiegend achter de microfoonstandaard zong ze ‘Les Etoiles’ letterlijk naar de sterren. Bij ‘Baby, I’m A Fool’ speelde de uit Philadelphia afkomstige zangeres een fijn stukje gitaar, een instrument waar ze naar eigen zeggen wel van houdt (“Because it has only six ways it can do you harm”). Mannen zijn geen gitaren, zoveel maakte Melody ons hiermee wel duidelijk, al voelde ze zich wel erg gelukkig in het gezelschap van haar vier mannelijke begeleiders en liet dat ook meermaals fysiek blijken.
‘If The Stars Were Mine’, een eigen nummer dat nu al klink als een echte standard, bleek een ferme crowdpleaser en werd hier en daar zelfs zachtjes meegezongen. De dag dat Melody Gardot dezelfde status zal krijgen als pakweg Norah Jones of Diana Krall is niet meer veraf. Met deze laatste heeft ze zeker het gevoel voor Bossa Nova gemeen, zonder echter alleen maar binnen dit genre gevangen te zitten.
Het onder een mooie cellobegeleiding gebrachte ‘Deep Within The Corners of my Mind’ dompelde het Rivierenhof in een melancholieke sfeer. We kregen er nog een zwoele versie van ‘Summertime’ bovenop. Bij het invallen van de schemer heerste de overheerlijke stem van Gardot autoritair over het Rivierenpark als het gezang van de nachtegaal over de duisternis.
En er moest nog heel wat komen. Het van een indrukwekkende intro voorziene ‘Love Me Like A River Does’bijvoorbeeld, waarbij de jazzdiva als een bezeten kattin over haar piano kronkelde. Daarnaast overtuigde Gardot eens te meer met ‘Who Will Comfort Me’, een dreigende blues die ons naar het nekvel greep.
Afsluiten deed Gardot met feestelijke covers van ‘Caravan’ (Ellington) en het aan haar grootmoeder opgedragen ‘Over The Rainbow’. Na een werkelijk uitmuntend concert nam de nachtegaal uit Philadelphia breed glimlachend afscheid van haar Belgische publiek dat haar een meer dan verdiende staande ovatie gunde. Hoe zalig kan vakantie zijn? vroegen wij ons achteraf nog steeds af en we doken met deze gedachte zielsgelukkig de zwoele zomernacht in. (Meer foto's)
zondag, juli 04, 2010
Norah Jones zoekt en vindt zichzelf in Vorst
De tijd dat Norah Jones op 22-jarige leeftijd als een komeet naar de hoogste rangen van de Music Charts klom met haar debuutalbum ‘Come Away With Me’ (2002) ligt al even achter ons. Deze plaat was met 22 miljoen exemplaren één van de vijf best verkopende albums van de 2000’s en binnen het genre van de ‘Jazz’ klopte Jones met deze cijfers zelfs Miles Davies ‘Kind Of Blue’ als best-selling jazz album of all times.Inmiddels bracht de zangeres drie andere platen onder haar eigen naam uit: ‘Feel Like Home’’ (2004), ‘Not Too Late’ (2007) en ‘The Fall’ (2009) die telkens gepaard gingen met een wereldtournee. Afgelopen donderdag stelde Jones en haar kompanen haar laatste plaat voor in een oververhit Vorst Nationaal voor een publiek van alle leeftijden want het succes van haar eerste plaat werkt tot de dag van vandaag nog steeds door.
‘What Am I To You?’ vroeg de zangeres zich in het openingsnummer terecht af. Volgens vele recensenten is de rode draad op haar nieuwste plaat de verwerking van de verbroken relatie met haar ex-bassist Lee Alexander. Volgens ons gaat deze plaat een heel stuk dieper en is Jones vooral op zoek naar zichzelf: artistiek, emotioneel en existentieel. Het heeft er alles van weg dat deze artieste haar oude huid van succesvol-braaf-jazz-zangeresje-dat-ook-een-beetje-piano-kan-spelen van zich af wil schudden. Ze doet dit echter niet burlesk, maar eerder langzaam en van binnenuit. Dit resulteert in een zekere ruimte voor evolutie hetgeen haar muziek beïnvloedt en deze in nieuwe, verrassende richtingen stuurt. Of het publiek bereid is om haar hierin mee te volgen is een andere zaak, maar Jones kiest in eerste plaats voor zichzelf.
Al vanaf het tweede nummer ‘Tell Yer Mamma’ omgorde ze de gitaar waarmee ze nooit virtuoos klonk, eerder wat meisjesachtig, maar het is precies dat wat haar charmant maakt. Daarnaast blijft zij natuurlijk een fantastische zangeres met een aangename, soepele stem die zowat alles aan kan.
Een eerste hoogtepunt van de avond kwam er in de vorm van ‘Chasing Pirates’, de schitterende single waarin Norah zich waagt aan een vleugje elektronica en waarin haar kompaan Sasha Dobson mooi kon uitpakken met de killer drumslagen die deze song onweerstaanbaar maken. Ook nieuwe songs als ‘Young Blood’ en ‘It’s Gonna Be’ kwamen mooi uit de verf, al kunnen we deze in de verste verte niet meer als Lounge Jazz bestempelen. Dat was zeker ook niet het geval voor de countryachtige Tom Waits-cover ‘Long Way Home’ en het bonkend en stotende, aan Waits verwante, ‘Sinkin’ Soon’.
Ja, de dochter van Ravi Shankar liet zich nog wel af en toe langs haar meer bekende zijde zien, meestal op momenten waarop ze plaatsnam achter de piano. Zo gold ‘Sunrise’ meteen als een publiekslieveling en dat bleek uiteraard ook het geval voor ‘Don’t Know Why’. Toch genoten wij meer tijdens nieuwe pareltjes als het introverte ‘Back To Manhattan’ en het subtiel komische ‘Man Of The Hour’, opgedragen aan… haar hond(!)
Eén van de sterkhouders van Norah’s band blijft zeker wel Smokey Hormel die zowel op akoestische als op (slide) gitaar wonderbaarlijke dingen liet horen. Misschien was hij het wel die Jones aanzette tot de oude Johnny Cash cover ‘Cry Cry Cry’. Hormel werkte immers aan de laatste, door Rick Rubin geproduceerde (American) platen van Cash mee en draagt zijn broodheer van destijds nog steeds in het hart.
De bisronde die Jones in petto had bestond uit een rondje Bluegrass waarin alle muzikanten zich rondom één microfoon schaarden. Eerst coverden ze ‘‘How many times have you broken my heart’ (H. Williams) waarna ‘Creepin’ In’ mooi volgde in dezefde stijl. Het publiek in het bloedhete Vorst Nationaal gaf Norah Jones een aarzelende staande ovatie. Achteraf hoorden we mensen hier en daar klagen dat Norah zo weinig ‘hits’ gespeeld had en dat het vroeger toch beter was. Volledig ten onrechte, zo argumenteerden wij. De vernieuwing waartoe Norah Jones zichzelf verplicht, bewijst net haar artistiek talent en haar sterke persoonlijkheid.
Wie echter voor zichzelf wil oordelen krijgt over enkele dagen een nieuwe kans op Jazz Gent. Warm aanbevolen!
(Meer Foto's)
zaterdag, juni 26, 2010
De Helende kracht van Willie Nelson
Vlaanderen heeft in het post-Bobbejaan tijdperk nog steeds weinig voeling met levende countrymuziek. Ook afgelopen donderdag kon de Brusselse Ancienne Belgique het bordje ‘uitverkocht’ helaas niet ophangen voor het optreden van Willie Nelson, die toch als één van de reuzen van het genre wordt beschouwd. Soms vragen wij ons vertwijfeld af of men als countryartiest eerst moet doodgaan om enige belangstelling op te wekken bij de Vlaamse muziekliefhebber. Zo werd er in 1992 een concert van The Highwaymen (Waylon Jennings, Kris Kristofferson, Johnny Cash en Willie Nelson) in Vorst afgelast wegens te weinig belangstelling. En dan te bedenken dat Johnny Cash vandaag toch een soort superstatus geniet, ook bij ons. Vorst zou nu te klein zijn voor een optreden van deze man, zelfs het sportpaleis in Antwerpen zou meteen uitverkopen. Dit maar om te zeggen dat –ook nu weer- alle afwezigen ongelijk hadden, want veel kansen om Willie Nelson (77) op een Belgisch podium mee te maken komen er vast niet meer.Maar was het allemaal wel de moeite waard om naar de Brusselse muziektempel af te zakken, horen wij u zich al meteen hardop afvragen. Ons antwoord luidt eenduidig: jazeker, dat was het!
Warm onthaald door het Belgische publiek trokken Willie Nelson & Family hun muzikale bio-diesel op gang met de ‘Whiskey River’, een onweerstaanbare honky-tonk die tot één van Willie’s signature songs mag gerekend worden. ‘Trigger’, de veertig jaar oude, rotversleten akoestische gitaar van Nelson, waarin inmiddels een gat gaapt groter dan dat van een nestkastje, was ook nu weer van de partij. Cowboy Willie, aanvankelijk met zwarte Stetson, toonde zich nog steeds een meester in het bespelen ervan. Het was telkens weer genieten als de oude krijger er zijn onnavolgbare solo’s uit kneep. Het gitaarspel van onze held klonk meestal eerder jazzy, maar één ding is zeker, iemand als Bob Dylan doet het hem niet (meer) na.
Met zijn ‘Family’ Band, waarin Bobby Nelson (piano en ‘zus van’), Paul English (Willie’s vaste drummer sinds 1955) en Mickey Raphael (mondharmonica) de bekendste muzikanten zijn, hield Nelson er een strak tempo op na. Sommige van zijn grootste songs zaten in een medley verpakt. Dat was het geval voor ‘Funny How Time Slips Away’ (ooit opgepikt door Elvis), ‘Crazy’ (monsterhit geweest voor Patsy Cline) en ‘Nightlife’ (gecoverd door ongeveer elke countryartiest ter wereld). Maar het waren zeker niet alleen deze grote kleppers die te genieten waren. Het vrolijke countrysfeertje dat Nelson & Co bouwden rond songs als ‘Don't Let Your Babies Grow Up To Be Cowboys’, ‘Beer For My Horses’ en het stomende ‘Good Hearted Woman’, ondersteund door de heerlijke harmonica van Raphael en het prima gitaarwerk van Willie zelve, maakten het concert onvergetelijk. Ondertussen gooide Shotgun Willie zijn rode bandanas kwistig het publiek in alsof hij Elvis Presley was. Maar hij deed hij ons eerder denken aan iemand als Simon Vinkenoog, die andere weed-goeroe en geestegenoot die vorig jaar helaas het tijdelijke voor het eeuwige ruilde.
De Country Outlaw liet zich echter ook van zijn andere, meer ingetogen kant horen. ‘Angel Flying Too Close to the Ground’ greep ons flink bij de keel, ‘Always On My Mind’ klonk gemeend en recht uit het hart en ook ‘Georgia On My Mind’ miste zijn doel niet. Maar het meest bloedstollende moment beleefden we bij de oude blues-gospel ‘Nobody's Fault But Mine’ (staat ook op Nelson’s nieuwste plaat ‘Country Music’), dat klonk als een soort schuldbekentenis, gezongen met reeds één been in het graf.
Afsluiten deed Free Willie op feestelijke wijze. Het van Hank Williams geleende ‘Jambalaya’ mocht dienen als uitbundig meezingmoment. ‘Will the Circle Be Unbroken’ deed daar nog een flink schepje bovenop. Maar het ulitieme orgelpunt kwam er pas bij de heerlijke countrygospel ‘I Saw The Light’ (opnieuw van Hank Williams). Het leek er even op dat niemand anders dan Willie Nelson onze Messias zou worden en dat deze met zijn helende muzikale kracht onszelf en bij uitbreiding de hele wereld zou redden. Een mooiere afsluiting was moeilijk denkbaar.
Na een volledige genezing van geest en lichaam keerden wij diepgelovig huiswaarts, na toch enig wijwater in de vorm van enkele Orvals te hebben genuttigd. ’s Morgens zagen wij inderdaad het licht, maar het kwam helaas net iets te vroeg.
(Meer foto's)

