dinsdag, mei 25, 2010

Moeder 19/01/1924 - 24/05/2010

'Niet de status, niet de functie, noch de leeftijd bepalen de pijn van het verdwijnen'

vrijdag, mei 14, 2010

Merchant legt met een magisch concert de kinderlijke ziel bloot

Natalie Merchant (46) verraste vriend en vijand na zeven lange jaren stilzwijgen met de uitgave van haar nieuwste dubbel-cd ‘Leave Your Sleep’. Een Magnus Opus mag je wel stellen, waar 130 muzikanten van allerlei pluimage bij betrokken waren. De teksten op deze plaat behoren dit keer niet Merchant zelf toe, maar zijn het werk van bekende en mindere bekende Angelsaksische dichters die gedurende de 19de en 20ste eeuw actief waren. Zesentwintig gedichten met als centraal thema ‘de kindertijd’ voorzag de ex-frontvrouw van 10,000 Maniacs van heerlijke muziek, waarbij ze beroep deed op een massa muzikanten. Dit alles resulteerde op de plaat in een sterk gevarieerd aanbod, bestaande uit (Ierse) folk, jazz, blues, gospel, bluegrass, reggae en nog veel meer. Wie nu denkt dat het album als losse flodders aan mekaar hangt heeft het echter helemaal mis. De stem van Merchant is als de rode draad die de thematisch met elkaar verbonden songs mooi bij mekaar houdt. De zorgvuldig gekozen gedichten onthullen diverse facetten van de kindertijd en openen de waaier van emoties waar een kind in dit leven zoal mee te maken krijgt.
Na onszelf wekenlang te dompelen in de schoonheid die de ‘Leave Your Sleep’ cd met zich meebracht, waren we dan ook reuze benieuwd hoe Natalie Merchant deze muzikale krachttoer live zou vertalen. Daar het enigszins lastig is om meer dan honderd muzikanten op sleeptouw te nemen, koos de zangeres noodgedwongen voor eenvoud, zonder echter in te leveren aan kwaliteit. Een goede keuze, zo bleek achteraf want de meegebrachte rasmuzikanten, Erik Della Penna en Gabriel Gordon beiden op akoestische gitaar, samen met een celliste waarvan we de naam helaas vergeten zijn, deden de songs alle eer aan.
Natalie Merchant had, gekleed in haar donker deux-pieceke met daaronder felrode panty’s en bolle zwarte schoenen, de uitstraling van een schooljuf die toch nog wel iets frivools in zich meedroeg.
De avond had, zeker in het begin, iets weg van een literaire lezing, waarbij de New Yorkse zangeres tussen elke song door via haar Apple computer eeuwenoude foto’s projecteerde van de dichters en dichteressen wiens werk ze bezong. Maar saai of slaapverwekkend werd het nooit.
Telkens entertainde ze haar publiek met enkele biografische weetjes aangevuld met allerlei leuke anekdotes over deze illustere figuren. We konden niet anders dan vaststellen dat de getoonde auteurs met hun rare kleren en met hun vooroorlogse kapsels in hun tijd dezelfde roddels over liefde, ontrouw, bedrog en verraad hebben moeten slikken als de mensen uit onze tijd. En hun gedachten en emoties over de kindertijd waarover ze zo hartstochtelijk in hun gedichten schreven verschillen in wezen ook niet grondig van onze eigen hedendaagse gevoelens over deze levensfase. Voor Nathalie Merchant telt alleen het universele, zoveel is duidelijk en (kinderlijke) fantasie is tijdloos.
Ondertussen scheerde Merchant, die overigens zeer goed bij stem bleek, ook muzikaal hoge toppen bij het vertolken van deze songs, daarbij flink geholpen door het virtuoze spel van haar beide gitaristen. Elk nummer werd met zorg en in opperste concentratie gebracht. Af en toe sloeg de zangeres aan het dansen, alsof het kleine meisje in haar plotsklaps wakker werd. Op zeker moment vroeg ze beleefd maar kordaat of de mensen op de eerste rij zo vriendelijk wilden zijn om hun jassen en handtassen van de planken weg te nemen. “I’m very territorial,” klonk het. Daarna walste ze tijdens ‘The Sleepy Child’ tot tegen de randen van het podium.
Verder geven we graag nog enkele hoogtepunten weer van het eerste deel. “The Peppery Man”, gebaseerd op een gedicht over een man die iedereen graag de huid vol scheldt, kreeg een onweerstaanbaar bluesy arrangement mee. ‘Indian Names’ (volgens Merchant meteen een goede geschiedenisles voor de kinderen die moeten leren dat ze in een land wonen dat niet het hunne is) wist met slechts een cello als begeleiding heel wat indruk te maken. Tijdens “Spring And Fall: To A Young Child”, over een kind dat naar de vallende bladeren kijkt – een eeuwenoude metafoor voor de dood - kon de zangeres haar tranen niet bedwingen. Toen iemand haar een pakje zakdoekjes aanbood, bedankte ze hartelijk, nam er één uit en gaf de rest van het pakje vol zelfvertrouwen terug: “I’m not gonna cry anymore this evening”. Het simpele walsje ‘Equestrienne’, misschien wel het mooiste nummer uit de hele collectie, klonk zondermeer magistraal en het poëziegedeelte werd prinsesheerlijk afgesloten met ‘The Land of Nod’.
Na dit adembenemende eerste deel dat in totaal anderhalf uur in beslag nam, keerde mevrouw Merchant terug met nog eens driekwartier materiaal van eigen hand. ‘Motherland’, opgedragen aan al haar landgenoten maar in het bijzonder aan “those bastards of BP” die in de golf van Mexico een ware milieuramp veroorzaakten, liet een zelden gehoorde intensiteit horen, diep geworteld in gemengde gevoelens van verdriet, woede, liefde voor het moederland en angst voor het verlies van de schoonheid ervan. Daarna verwende Natalie haar publiek met pareltjes als ‘Carnival’, het fel meegezongen “Tell Yourself” en het al even knappe ‘Kind & Generous’.
Afscheid nemen deed de New Yorkse in stijl met het a capella gezongen ‘From The Time We Say Goodbye’ . Van alle concerten die we over een periode van ruim 20 jaar van haar meemaakten, zal dit optreden ongetwijfeld ons het langst bijblijven. Slechts heel zelden zien we zoveel persoonlijkheid, integriteit en intensiteit op één en hetzelfde podium. Als men met deze kwaliteiten een muzikale Nobelprijs zou kunnen winnen, verdient Natalie Merchant er meteen één. (Meer foto's)

zondag, mei 09, 2010

Los Lobos mist een wiel aan de wagen

Het aantreden van Los Lobos in de AB zonder zanger-gitarist Cesar Rosas was een beetje zoals FC Barcelona dat zonder Lionel Messi het veld op moet: de kwaliteit van de groep is er nog wel maar het spel wordt minder vloeiend en mist diepgang. De band startte met een doordeweekse versie van ‘Evangelie’ maar verzandde daarna een beetje in monotonie. Pas toen David Hidalgo de accordeon bovenhaalde kregen we flitsen van het echte Los Lobos te horen. ‘La Pistola Y El Corazon’ en ‘Saint Behind The Glass’ zorgden voor enig eerherstel. Even later volgde met ‘Kiko’ een laatste hoogtepunt want daarna zakte het niveau toch weer een flink stuk. Een aardige cover van Neil Young’s ‘Cinnamon Girl’ sloot het concert nog wel waardig af, maar we hopen dat Rosas er volgende keer toch weer bij is.
(Meer foto’s)

dinsdag, april 27, 2010

Een trip in het conceptueel geluidslaboratorium van Lou Reed

Toen Lou Reed 35 jaar geleden zijn ‘Metal Machine Music’ op de wereld losliet verklaarde iedereen hem voor volslagen kierewiet. Geen enkele andere plaat uit de muziekgeschiedenis klonk in 1975 zo compromisloos en oorverdovend brutaal dan deze dubbele langspeler. Muziek in de conventionele betekenis van het woord was er dan ook nergens op te bespeuren. De luisteraar kreeg in de plaats rauwe noise voorgeschoteld, die voornamelijk bestond uit loodzware feedback en monotone drones.
Geen wonder dat dit album door nietsvermoedende kopers massaal werd teruggebracht naar de winkels. Velen meenden zelfs dat de plaat per ongeluk verkeerd geperst was en waren des te ontgoocheld toen ze hoorden dat dit geenszins het geval was. Hoe kon de man die ‘Transformer’ had gemaakt de mensheid zoiets aandoen, vroeg iedereen zich toen vertwijfeld af.
‘Metal Machine Music’ werd door de kritiek –u raadt het al -unaniem de grond in geboord en verdween na enkele weken uit de handel. Tijdens de jaren die erop legde Lou tegenstrijdige verklaringen af over dit werk. De ene keer verklaarde hijzelf dat de plaat nooit helemaal had beluisterd en dat deze enkel gezien diende te worden als een welgemeende fuck you aan het adres van zijn platenfirma. De andere keer noemde Reed ‘Metal Machine Music’ zijn allerbeste uitgave ooit of zijn enige meesterwerk.
Vijfendertig jaar na het uitbrengen van MMM besluit Lou Reed nu om een concertreeks te spelen, geïnspireerd op zijn legendarisch (gehate) album, zonder de bedoeling te hebben de opnames van toen live te willen reproduceren. Na zijn performance van donderdagavond in de Ancienne Belgique, geloven wij stellig dat Lou, hoe gek het ook mag klinken, echt houdt van deze abstracte geluidsbrij die, door het maken ervan, hem opnieuw in zijn oorspronkelijke experimentele pioniersrol plaatst.
Het concert bleek verre van uitverkocht. De aankondiging had ervoor gewaarschuwd dat de toeschouwers ‘A Night of Deep Noise’ op hun bord zouden krijgen met absoluut ‘No Songs’ op de setlist. Dit was blijkbaar goed begrepen want de aanwezigen leken niet echt uit te zijn op klassiekers als ‘Perfect Day’ of ‘Walk On The Wild Side’. Gelukkig maar!
Op het podium stonden verschillende soorten versterkers van allerlei grootte en kleur waartegen enkele gitaren leunden die voor een constant feedback geluid zorgden. Ook hing er een reusachtige gong achteraan en verder bemerkten we een grote trom, een tafel met twee laptops, een saxofoon, wat extra gitaren en een verzameling elektronica.
Tijdens de eerste tien minuten deden Lou Reed (68) en zijn muzikanten (Ulrich Krieger en Sarth Calhoun) weinig meer dan wat aan de knoppen van hun versterkers draaien, terwijl de gitaarfeedback moddervet door de zaal dreunde. De monotonie brak op zeker moment open door enkele flinke gong- en tromslagen van Reed & Co. Je zag duidelijk sommige mensen denken: “Ha, er gebeurt nog eens iets”. Een paar mensen zagen we toch ook al duidelijk de zaal verlaten. Wrong Place, wrong time.
Saxofonist Krieger liet zijn instrument aanvankelijk tegen de microfoon aan knisperen zonder erop te spelen. Later blies hij er tonen op die ontleend leken aan Ornette Coleman of John Coltrane tijdens diens laatste jaren. Reed nam plaats achter de elektronica en voegde afwisselend wat brommende en piepende geluiden toe. Hij beroerde al eens een gitaar, tegelijk gebruik makend van allerlei effectpedalen, maar dan op volstrekt onconventionele wijze. Af en toe gingen Krieger en Reed met mekaar in een soort buitenaards muzikaal duel. Ondertussen sampelde Calhoun de vreemdsoortige geluidjes, geproduceerd door de anderen en stuurde deze meteen terug het universum in. Veel meer gebeurde er niet, maar ook niet minder.
De indrukwekkende geluidswolk die hierdoor ontstond leverde veeleer een bijzondere fysieke ervaring op dan het soort luistergenot dat we gewend zijn. Maar, geloof het of niet, dit concert was een belevenis, al dreven de meningen achteraf ver uit elkaar. Ofwel vond men het toch maar niets en droop men ontgoocheld af, ofwel was men toch wel onder de indruk van deze volstrekt unieke geluidservaring. Mensen die vertrouwd zijn met conceptuele kunst bleken doorgaans positiever in hun oordeel.
Na vijf kwartier leidden enige flinke gongslagen het einde van het concert in. Lou bedankte zijn publiek hartelijk voor de aanwezigheid vooraleer hij duidelijk tevreden in de coulissen verdween. De niet te stuiten experimenteerdrang is ontegensprekelijk een wezenskenmerk van Lou Reed en dit al vanaf zijn prille carrière bij de Velvet Underground. We wedden dat deze concertreeks hem meer artistieke voldoening schenkt dan sommige stadiumconcerten die hij vulde met zijn beste songs. (Meer foto's)

zondag, april 25, 2010

Don McLean staat ook alleen zijn mannetje in de AB

Naar aanleiding van de problemen met de grote stofwolk waardoor zijn band niet tijdig in Europa geraakte herdoopte Don McLean zijn huidige tournee tot ‘The Vulcano Tour’. De Amerikaan stond dan ook moederziel alleen tijdens zijn, naar eigen zeggen, allereerste optreden voor een Brussels publiek. Hoewel, op het podium stonden nog enkele fiere kamerplanten geposteerd en oude Don gaf toe dat hij af en toe wel eens de neiging had om deze bij de show te betrekken, maar ze bleken muzikaal dan toch iets minder begaafd dan zijn vaste muzikanten.
Don McClean herinnerde zich wel nog zeer levendig zijn optreden in Turnhout van 2008, al kon hij de naam van dat Kempisch stadje niet meer uitspreken. In tegenstelling tot dat mooie zomerconcert moest hij het nu alleen én akoestisch zien te redden, terwijl zijn laatste soloconcerten dateerden uit de jaren ’70.
Don koos echter resoluut voor de vlucht vooruit (en dat in tijden die vluchten onmogelijk maakten!) en trapte af met het van Buddy Holly geleende ‘Everyday’. Daarna volgde ‘Winterwood’, een pareltje van eigen hand, dat het grote songschrijverstalent van de Amerikaan zeer goed illustreerde. Dat gold trouwens ook voor liedjes als ‘Empty Chairs’ en ‘Castles In The Air’ die beiden tot zijn beste werk behoren.
De zanger vroeg herhaaldelijk om de volumeknop van zijn gitaar open te draaien alsof hij bang was dat één en ander in zoete meligheid zou ontaarden, wat gelukkig nooit het geval was. Zoals hij daar zat en sprak tegen zijn publiek deed de 64-jarige Don McLean ons herhaaldelijk denken aan goeie ouwe Johnny Cash in zijn latere periode. We weten dat dit zware woorden zijn maar toch, die fysiek, die krachtige oude mannenstem, die zelfverzekerde aanslag op de gitaar… McLean is ergens uit hetzelfde oer-Amerikaanse hout gesneden, zoveel is zeker.
Ondertussen amuseerde de bard zich duidelijk en maakte geregeld uitstapjes naar oude klassiekers, allemaal behorend tot het grote Amerikaanse muzikale erfgoed. ‘Singing The Blues’ verhoogde de ontspannen sfeer, ‘That’s All Right’ bracht even Elvis in gedachte en de indrukwekkende vertolking van Roy Orbison’s ‘Crying’, waarmee Don ooit een vette hit scoorde in Nederland en waarin hij nu vocaal alle registers opentrok, klonk ronduit fantastisch. De zanger liet verder ook een paar nummers uit zijn nieuwe (en mogelijk laatste) studioplaat ‘Addicted To Dark’ horen. ‘Mary Lost A Ring’ ontpopte zich tot een fris stukje bluegrass, maar vooral het introspectieve ‘I Was Always Young’ maakte flink indruk. McLean etaleerde door middel van enkele intrumentals zijn kwaliteiten als gitarist. Het publiek bedankte enthousiast maar wilde uiteraard meer en niet in het minst de twee songs die voor altijd met Don McLean zullen geassocieerd blijven.
‘Vincent’, de wondermooie ode aan Van Gogh en diens meesterwerk ‘Sterrennacht’ bleef na al die jaren nog even pakkend. Menige toeschouwer pinkte zelfs even een traan weg of kreeg er de krop in de keel van. ‘American Pie’, ooit door de Recording Industry Association of America (RIAA) verkozen tot één van de vijf meest essentiële songs van de twintigste eeuw, kreeg in Brussel een XL-behandeling mee en werd opgevoerd als hét grote meezingmoment van de avond. Een beetje jammer misschien, maar McLean zal wel door de jaren weten dat het moeilijk is om de mensen dit nummer niet te laten meezingen. Zo wordt paradoxaal genoeg de regel ‘The Day The Music Died’ de meest levendige van niet alleen dit, maar waarschijnlijk alle concerten die McLean geeft of nog ooit zal geven. Succes kan vreemde gevolgen hebben.
“Na de hoofdschotel wil ik jullie nog bijgerechtjes serveren,” grapte de zanger en omgorde even daarna de banjo die hij even meesterlijk wist te beroeren als vooraf zijn gitaar. Zijn versie van Bob Dylan’s ‘Master Of War’ behoorde zeker ook tot de hoogtepunten van de avond. Afscheid nemen deed Don McLean met Woody Guthrie’s ‘Hard Traveling’, dat wederom op vraag van de artiest massaal werd meegezongen. Na ruim honderd vijftien minuten muzikaal genot volgde, volkomen terecht, een staande ovatie.
(Meer foto’s)

dinsdag, april 20, 2010

Zoe Muth And The Lost High Rollers

Wie zoals wij al een heel leven met één been in the country staat (het andere been dwaalt her en der wat doelloos rond) heeft al heel wat artiesten binnen het genre zien komen en gaan. Country is door de jaren heen flink geëvolueerd, zozeer zelfs dat dingen die wij in het verleden rock pleegden te noemen nu ook al onder country gecatalogiseerd staan. Daarom verlangen wij af en toe nog eens naar opnames die de sfeer van –bijvoorbeeld- de eerste platen van Emmylou Harris & The Hot Band doen herleven. Zo waaide ons, gelukzakken die we zijn, enige tijd geleden de schitterende cd van Zoe Muth and the Lost Rollers tegemoet, een schijfje vol splinternieuwe countrysongs die de vergelijking met grote seventies klassiekers moeiteloos weet te doorstaan.
De inspiratie voor de twaalf zelfgeschreven nummers haalt deze artieste uit Seattle onder meer bij Townes Van Zandt, Bob Dylan, Lucinda Williams, Loretta Lynn en uiteraard bij de voornoemde Emmylou Harris, waar ze qua stem dicht bij aanleunt. En als wij u erbij vertellen dat, binnen haar uitstekende band, country veteraan gitarist Dave Harmonson zich als een volleerde James Burton opstelt, weet u ongeveer vanwaar de muzikale wind waait.
’ You Only Believe Me When I’m Lying’, het had een titel van Hank Williams kunnen zijn, trekt deze plaat als een glimmende stoomtrein op gang. Songs als ‘I Used To Call My Heart A Home’ en ‘My Old Friend’ laten onze oude countryharten pas helemaal smelten, terwijl Zoe even later met het rockende ‘Not You’ haar ontrouwe loverboy eens flink op z’n plaats weet te zetten. Ook prachtig is het gevoelige ‘The Running Kind’ en van het huppelende ‘Suck True Love’ krijgen we al wekenlang geen genoeg.
U merkt het, dit jonge countrybloed laat onze aderen van puur contentement zwellen. Dat we dit plaatje aan elke rechtgeaarde countryliefhebber willen aanraden is een understatement. Het liefst zouden we deze schijf zelfs met de nodige twang rond uw niets vermoedende oren willen kletsen. Zoe Muth dat!

woensdag, april 07, 2010

Opperbevelhebber zeemacht in goede doen

Admiral Freebee stelde zondagavond zijn nieuwe cd 'The Honey & The Knife' voor in de AB. Samen met zijn nieuwe groep, die onder meer bestond uit Bjorn Eriksson (gitaar) en Filip Kowlier (bas), speelde hij vooral nieuwe nummers. Een grommend 'Blues For A Hypochondriac' trok het concert op gang. Andere hoogtepunten: het melodieuze 'Last Song About You', het met Mick Jaggerachtige falsetstem gezongen 'Always On the Run' en het rauwe 'My Hippie Ain't Hip'. Daarnaast maakte de Admiraal ook nog enkele uitstapjes naar ouder werk. 'Living For The Weekend' klonk feestelijk als een paasmaal, maar vooral 'Get Out Of Time' waarin Tom Van Laere zich ontpopte tot een soort hedendaagse Jim Morrison was ijzersterk. Het enige bisnummer van de avond heette toepasselijk 'The Art Of Walinking Away' en herinnerde sterk aan Neil Young & Crazy Horse. Eén ding is zeker: onze zeemacht staat er. (Foto's)

zondag, april 04, 2010

Humo's Rock Rally 2010 laat hoopvolle toekomst horen

Humo’s Rock Rally Finale mogen we traditioneel beschouwen als de kristallen bol van de Belgische rockmuziek. Men kan er gif op innemen dat minstens een paar groepen de volgende jaren aan status zullen winnen en op allerlei podia te zien zullen zijn. Uitgaande van deze vooronderstelling ziet de toekomst er verre van slecht uit. Gitaarbands, die vaak hard klinken, blijven de plak zwaaien. Dat was vroeger zo en dat is nu niet anders, maar toch klonk de nieuwe lichting sterker dan ooit.
Maya’s Moving Castle uit Gent beschikte over een intrigerende frontvrouw die naast de zang ook de cello voor haar rekening nam. ‘Sabotage’ een cover van de Beastie Boys, verscheen in een New Wave-jasje. De eigen nummers kwamen helaas iets minder uit de verf, al vonden we hun cello intermezzo best wel intrigerend.
Het uit het Brabantse Asse afkomstige Willow leverde een overtuigende set af doorspekt met Britse New Wave invloeden. Met ‘Sweater’ tekende deze groep trouwens voor één van de meest beklijvende songs van de finale. De zanger, die vocaal sterk aan Robert Smith deed denken, wist met zijn podiumact het publiek zeker te enthousiasmeren. Het leverde Willow de KBC-publieksprijs op een bronzen Humo-medaille.
Daarna was het de beurt aan The Crackups, een horde losgeslagen gezonde jongens uit de Grobbendonkse Kempen, die genereus trakteerden op een portie onvervalste punkrock, die ze als een genadeloze kopstoot de zaal in keilden, tot groot jolijt van hun meegebrachte fans die er al stagedivend en crowdsurvend een feestje op bouwden. Een song als ‘A Girl Is Only Good To Fuck’, liet tekstueel weinig aan de verbeelding over. Het volgende liedje droeg de zanger op aan “alle meskes mé een snor”. Rock ‘n’roll!
Psycho 44, bestaande uit een viertal motherfuckers uit (alweer) Grobbendonk, ontpopte zich tot een harde retrorockband, die compromisloos zijn ding deed. Een song als ‘All my demons have distortions' had wel iets en ook hier zagen we de plaatselijke fans crowdsurfend uit de bol gaan. Maar ondanks al het psychotisch en muzikaal geweld wist deze groep ons niet helemaal te overtuigen.
Dat was wel het geval voor ‘The Mojo Filters’ uit Beerse, die hun groepsnaam ontleenden aan een regel uit de Beatlessong ‘Come Together’. Die Beatlesinvloeden waren muzikaal ergens nog wel aanwezig maar hun groepsound deed ons in de eerste plaats denken aan ‘The Strokes’. Een sterk nummer als ‘Young Love’ bleef nog lang in ons geheugen nazinderen en verdient nu alle mogelijke airplay. Eerlijk, we voorspellen een mooie toekomt voor deze band.
The Sore Losers uit Hasselt had met zijn drummer één van de leukst ogende figuren van de gehele finale binnen zijn rangen. Samen met de bassist vormde hij een sterke basis voor deze rockband. Daarnaast wist dit viertal vooral te overtuigen door krachtdadig geolied samenspel, slim opgebouwde nummers en een ijzersterke eindspurt in de vorm van de prachtsong ‘Your Smile’. Eén en ander leverde hen de zilveren medaille op, die zeker niet onverdiend kon worden genoemd.
De Antwerpse groep School is Cool had verschillende drums in verspreide slagorde over het podium verdeeld. Leuk, maar letterlijk en figuurlijk klopte het ook nog. Opener ‘New Kids In Town’ schoot meteen in de roos en leek uit te monden in een uitbundig feestje. De groep deed ons bij momenten even aan het Britse Fanfarlo denken; originaliteit en bevlogenheid troef. Veel frisse la-la-la’s en aanvullend klokkenspel maakten het akoestisch geladen ‘In Want Of Something’ tot klankgeworden vuurwerk. Het publiek reageerde enthousiast en de groep werd later dan ook terecht uitgeroepen tot absolute winnaar van de Rock Rally Finale 2010.
De jonge Gentse zangeres met Ghanese roots Gloria genaamd strooide kwistig haar motherfucker raps in het rond, maar verveelde helaas wel gauw. Haar versie van Lou Reed’s ‘Walk On The Wild Side’ had zeker nog wel iets pittigs, maar zo’n nummer is dan ook moeilijk om echt kapot te krijgen.
Neen, dan waren wij meer te vinden voor dat andere Gentse viertal, Amatorski genaamd. Hun onderkoelde, breekbare popliedjes, die zowel aan Sigur Rós als aan Isbells deden denken, klonken bijzonder fris en eigentijds. Zo is ‘The King’ ongetwijfeld een liedje dat nog veel in Duyster zal worden gedraaid en voor zoveel schoonheid verdiende deze groep toch ook wel een podiumplaats (die ze helaas niet kregen). Winnaar of niet, van Amatorski zullen we zeker nog horen in de toekomst.
Afsluiter Nele Van den Broeck (ook al uit Gent) was op deze Rock Rally Finale de vreemde eend in de bijt. Samen met twee vriendinnen zette zij een schitterende stand-up-setlist neer, vol met bubblegum meisjesachtige zelfspot. Wat een verademing na een hele namiddag pedant haantjesgedrag! Eerlijk, wij vonden dit optreden het leukste van de finale. ‘Too Drunk To Dream’ bleek al best grappig maar met ‘Do You Remember Made In Taiwan’, een welgemeende fuck you aan het adres van de leden van haar vorig bandje die haar uit de groep kickten, zorgde Nele Van de Broeck voor het meest hilarische moment van de Rock Rally. Deze Nele mag , met onze goedkeuring, vanaf heden de vrouwelijke Jonathan Richman genoemd worden. Als dat geen compliment is! (meer foto's)

zondag, maart 14, 2010

Boudewijn de Groot's luisterliedjes floreren in frisse arrangementen (AB Concert, 13 maart)

“Hij speelt zo weinig bekende nummers, en diegene die hij doet, speelt hij ook helemaal anders,” citeerde de 65-jarige Boudewijn de Groot de vaak gehoorde kritiek van zijn publiek en moest er zelf om glimlachen. Het klopt dat de setlist van zijn ‘Wilde Jaren Tour’ niet meteen oogde als een Best Of speellijst ( geen ‘Jimmy’, ‘Land Van Maas en Waal’, ‘Meneer de President’, ‘Meester Prikkebeen’…), maar dat vonden wij helemaal niet erg. De Groot slaagde er net in om fijne keuzes te maken uit zijn omvangrijk oeuvre waarmee hij nu toch al gedurende meer dan 45 jaar carrière maakt.
De eerste drie songs ,‘Noordzee’ (’64), ‘Woningsnood’ (’65) en ‘Vrienden van Vroeger’ (’66), bracht Boudewijn geheel solo met gitaar en een mondharmonicabeugel. Die sobere behandeling past ook het best bij dit soort liedjes uit zijn beginperiode en de Groot toont zich nog steeds een meester in het vertolken ervan.
Nadien nam Boudewijn plaats op een glimmende stoel waarrond zijn band, bestaande uit alleen maar rasmuzikanten, zich verzamelde. Voor deze tour bestond het gezelschap uit Ernst Jansz (piano), Jan Hendriks (gitaar), Monique Lansdorp (viool), Åke Danielson (synthesizer) en onze eigen Bert Embrechts (basgitaar). Dit geniale quintet zorgde voor de gedroomde begeleiding en vaak verrasten deze muzikanten ons met nieuwe, geslaagde arrangementen voor oudere nummers.
Zo kreeg ‘Een Meisje Van 16’ (oorspronkelijk van Aznavour) een ware zigeunerbehandeling (met Jansz op accordeon) en werd er in ‘Naast Jou’ creatief omgesprongen met allerlei percussiemateriaal, want opvallend was er geen plaats voor drums in deze bezetting. Plots leek Johnny Cash zelfs niet ver weg. Eén van de bekendere nummers uit Boudewijn’s repertoire, ‘Verdronken Vlinder’, kwam via een sterk countrygetinte ingreep, geheel fris en vrolijk aan de oppervlakte. Het (veelal) akoestisch musiceren stond centraal tijdens deze tour en Boudewijn leek zich in deze setting helemaal op zijn gemak te voelen.
Tussendoor vertelde de zanger ons graag over de levenswandel van zijn overleden vriend en tekstschrijver ‘Leonard Nijgh’ en diens inspiratie voor zijn liedjes. ‘Ballade Van De Vriendinnen Voor Eén Nacht’ was uiteraard gelinkt aan Lennaert’s moeilijke liefdesleven. Verder leerden wij dat ‘Het Spaarne’ gaat over de mooie stadsrivier die door Haarlem stroomt en verder roemloos uitmondt in een zijkanaal. Haarlem was tevens de plek waar Lennaert Nijgh werkte en woonde. En dit bleek tevens de woonplaats te zijn geweest van ‘Malle Babbe’, die er volgens de schilder Frans hals eerder als een heks uitzag dan als de wulpse figuur uit de liedjestekst van Nijgh.
Met dit nummer, gebracht in een feestelijke meezingversie, werden wij de pauze ingestuurd. ‘De Vondeling Van Ameland’ (tekst: Freek de Jonge) haalde ons er weer uit. Daarna volgde een intimistisch drieluikje, opgedragen aan Nederlands-Indië, waar Boudewijn de Groot geboren werd en er helaas ook zijn moeder verloor in een Japans interneringskamp. ‘Moeder’, een liedje dat de zanger schreef in 1975, ging vooraf aan twee nieuwe songs ‘Ik Ben Een Zoon’ en ‘Achter Glas’, waarin Boudewijn mijmert over zijn land van herkomst, over zijn moeder die hij nooit gekend heeft en over de foto’s van zijn beide ouders die hij bezit.
Pianist Ernst Jansz, die zelf Nederlands-Indische roots heeft, mocht daarna even in de spotlights staan met ‘Ballade van Nina Bobo’, een bijzonder ontroerend nummer opdragen aan zijn ouders. ‘Metamorfose’, Boudewijn’s nieuwste nummer, is een metafoor voor het leven zelf en staat voor de veranderingen die een mens doormaakt van geboorte tot aan het graf.
Met het allochtoon vriendelijke ‘Spelende Meisjes’ (tekst W. Wilmink) verwees de Groot even naar de politiek in Nederland en de ‘verwilderde’ tijden die aldaar op komst zijn. ‘Berlijn’, een door L. Nijgh zeer gekoesterde tekst, kreeg van de Groot muzikaal een vrij klassiek arrangement mee dat hij zelf majestueus dirigeerde. Hierna klonken ‘Parijs, Berlijn, Madrid’ en ‘De Reiziger’, beiden uit het album ‘Hoe sterk Is De Eenzame Fietser’ uit 1973, een stuk luchtiger. De uitvoering van het onverslijtbare ‘Testament’ kreeg dan weer een (synthetische) klavecimbel begeleiding mee, meteen ook het slotakkoord van de set. De staande ovatie leverde nog twee toegiften op: ‘Avond’, Boudewijn’s grootste hit uit recentere tijden en het carnavaleske ‘Ballade Van De Onsterfelijkheid’.
De laatste jaren kon men Boudewijn de Groot her en der op de Vlaamse podia zien maar toch was al het zeven jaar geleden dat Boudewijn de Groot nog eens in de Ancienne Belgique speelde. Hij hoeft nu zeker zolang niet meer te wachten. Gelukkig zijn er tijdens deze tournee nog optredens gepland in Brugge, Roeselare, Gent, Antwerpen, Hasselt en diverse Nederlandse steden. Eén van deze kansen missen zou zonde zijn. (Meer foto's)

dinsdag, maart 09, 2010

Dee Dee Bridgewater interpreteert Billie Holiday met respect

Dee Dee Bridgewater was amper 9 jaar oud toen één van de grootste iconen uit de jazzgeschiedenis, Billie Holiday een vroegtijdige dood stierf, nu iets meer dan 50 jaar geleden. In de jaren ’80 speelde Bridgewater de rol van haar idool al eens in de musical ‘Lady Day’ en nu is er een nieuwe plaat en een tournee waarin de zangeres wederom hulde brengt aan haar grote voorbeeld.
Na haar geslaagde doortocht op jazz Middelheim van vorig jaar, stonden nu hog twee Belgische concerten op het programma, het eerste in de Roma in Antwerpen en een tweede in de Ancienne Belgique. Het Brusselse optreden werd ingeleid door een korte, Engelse documentaire over Billie Holiday, die we als doorwinterde jazzliefhebbers zeker konden smaken. Voor de niet-kenners in de zaal leek ons dit meegegeven stukje muziekgeschiedenis even functioneel als essentieel in het kader van het optreden dat zou volgen. Bedankt, AB!
Na een korte introductie van haar band begon Dee Dee Bridgewater haar set met een stevige versie van ‘Lady Sings The Blues’. Men kon meteen merken dat de kale, maar bijzonder fris ogende jazzdiva er zin in had. Samen met haar uitstekende muzikanten Edsel Gomez (piano), James Carter (tenorsax), Ira Coleman (bas) en Jonathan Blake (drums) zou la Dee Dee erin slagen haar versies neer te poten van songs die door Holiday bekend geraakten.
Bridgewater koos er nooit voor om Holiday’s stijl te imiteren, hetgeen een verstandige keuze bleek want wedijveren met een icoon levert automatisch een op voorhand verloren strijd op. De in Memphis geboren zangeres pakte het echte slim aan en liet Billie’s songs vaak in heel andere, verrassende arrangementen horen zonder echter de ziel van het origineel te verliezen. Talent en ervaring zijn belangrijke voorwaarden om dit te kunnen en deze heeft Bridgewater zat.
Songs als ‘Miss Brown To You’ en ‘Them There Eyes’ swingden als knikkers in een achtbaan. De zangeres kon hierin tevens naar hartelust scatten en gebruik maken van haar indrukwekkende stemacrobatiek. ‘Fine And Mellow’ verscheen als een plagende blues waarin Bridgewater schitterende dialogen pleegde met haar saxofonist James Carter, die zijn instrument als het ware kon laten spreken. ‘A Foggy Day’ werd zelfs zover opentrokken dat de song bijna uit zijn voegen barstte, tot jolijt van de muzikanten, die hun kans tot improvisatie schoon zagen.
Soms bleven Bridgewater & Co dichter bij de bron. Dat was onder meer het geval in ‘Don’t Explain’, een beklijvende song die Holiday schreef nadat haar man Jimmy Monroe op een avond met lippenstift op zijn kraag thuiskwam. Een mooi dwarsfluit arrangement kon niet verhullen dat het respect van Bridgewater voor Holiday groot was en dat ze niet in de valkuil wou trappen om met zo’n song onnodig te ‘knoeien’. Gelijk had ze natuurlijk en dezelfde respectvolle behandeling kreeg ook ‘Strange Fruit’. Een song waar bloed aan kleeft mishandel je niet.
‘God Bless The Child’ kwam iets frivoler voor de dag dan de oorspronkelijke versie. Dee Dee haalde de slepende melancholie er gedeeltelijk uit en gaf het nummer wat meer schwung. ‘You’ve Changed’, nog zo’n typische Billie Holiday song, kreeg dan weer een sobere bewerking mee. Mooi en dat gold ook voor ‘Mother’s Son-In-Law’ dat Bridgwater helemaal hertimmerde tot wat we zouden kunnen noemen ’een sexy dialoog’. De muzikale intimiteiten met haar bassist, die ze door middel van dit nummer openlijk het hof probeerde te maken, gaven de lyrics extra betekenis. Dit allemaal met een vette knipoog natuurlijk want humor is de goedlachse tante niet vreemd. Luidop reflecteerde ze over sex, maar bekende openlijk dat ze er op haar leeftijd meer over droomde dan wat anders.
Bissen deed Holiday met een flamboyante versie van‘All Of Me’ waarop ze volledig haar eigen stempel drukte en de song naar het einde toe Afrikaanse ritmes meegaf. Een mooi einde van een straf concert waarin al haar muzikanten nog éénmaal verdiend in de spotlights mochten staan.
Dee Dee Bridgewater bewees met dit optreden dat ze nog steeds aan de absolute top staat in de wereld van (vrouwelijke) jazz vocalisten. Voor wie de Belgische concerten gemist heeft is er nog altijd de cd ‘Eleanora Fagan (1915-1959): To Billie With Love From Dee Dee’ die wij bij deze reeds van harte aanbevelen. (meer foto's)

zondag, maart 07, 2010

Mark Linkous (Sparklehorse) stapt uit het leven

Op 9 november 1996 zag ik Sparklehorse voor het eerst in de Vaartkapoen in Molenbeek. Mark Linkous had toen net een eerste zelfmoordpoging achter de rug en werd met een rolstoel het podium opgereden. Vreemd dat een optreden zo moest beginnen. Maar het concert zelf was onvergetelijk. Weinigen hebben de intensiteit van de droefheid zo kunnen vatten als Linkous met zijn sprankelend paard. Tien jaar (24.10.2006) en drie cd's later mocht ik getuige zijn van zijn laatste optreden in de Ancienne Belgique (Foto's). Weer die somberheid, weer die eeuwige droefheid maar o, zo mooi muzikaal vertaald. Na dit geslaagde optreden leek Linkous even in 'good spirits' (zie foto). Maar de depressies zouden nooit verdwijnen. Sparklehorse trad nog een paar keer op in dit land, zelfs vorig jaar nog in Gent. Gelegenheden die ik spijtig genoeg gemist heb. Gisteren maakte Mark Linkous een einde aan zijn leven. "La tristesse durera toujours"....
We will remember him.
..................
"Sometimes days, go speeding past
Sometimes this one, seems like the last
It’s a sad and beautiful world"
(Mark Linkous)
...........................................

woensdag, maart 03, 2010

Jaga Jazzist: BINGO voor experimentele jazz-gokmachine

Laptopmuzikant en knoppendraaier Steven Ellison aka Flying Lotus mocht een uur lang de volle AB Box entertainen met vette beats en elektronisch gegoochel. Te lang zo bleek want na enige nummers hielden wij (en vele anderen) het voor bekeken en zochten terug de luwte van de AB Bar op in afwachting van het hoofdprogramma.
De mensen van Jaga Jazzist waren niet aan hun proefstuk toe in de Brusselse muziektempel want het was reeds de vijfde keer dat ze er optraden. Het Noorse nonet (jawel, ze zijn met negen muzikanten – acht heren en één damesmeisje) heeft doorheen de jaren een flinke schare Belgische fans rondom zich verzameld, want hun concert bleek dit keer reeds lange tijd te zijn uitverkocht.
De doortocht van dit Skandinavische jazz ensemble had alles te maken met het verschijnen van hun nieuwe (schitterende) cd ‘One-Armed Bandit’ (een ander woord voor gokautomaat) en het podium hing dan ook vol met herkenbare goksymbooltjes die flikkerend oplichtten tegen het duister en waarrond de negen muzikanten stonden opgesteld. Een goede combinatie van toevalstreffers levert bij zo’n automaat winst op en als we zoiets muzikaal vertalen zou dit kunnen betekenen dat de groep het eeuwige zoeken naar het juiste samenspel van de vele groepsleden centraal stelt. Het is precies dit voortdurend combineren en experimenteren dat het meest kenmerkende en meteen ook de grootste troef uitmaakt van een groep als Jaga Jazzist.
De band opende met het nieuwe ‘Book Of Glass’ en trok hiermee meteen al een eerste indrukwekkend soundscape op. Daarna volgde het titelnummer uit hun nieuwe plaat, zowaar een meesterwerk, met een steeds terugkerend thema dat zich moeiteloos als een onweerstaanbare mantra in je geheugen vastnestelt. Het compositorisch brein van de groep, Lars Horntverth, leefde zich erin uit op de tenor sax maar wisselde later tijdens het concert nog vaak van instrument, net als vele andere groepsleden trouwens die zich meester toonden op onder meer de vibrafoon, klarinet, akoestische bas, trompet, trombone, tuba, allerlei gitaren, drums, keyboards en elektronica.
Het breed uitwaaierende ‘Bananfluer Overalt’, ook uit de nieuwe plaat, viel onder meer op door het krachtige drumwerk van neo-viking Martin Horntverth, tevens de sympathieke woordvoerder van de groep. ‘200 V / Spektral’, een nummer dat door de veelheid van tempowisselingen en melodieën en het soms overdadig gebruik van elektronica verzakte tot één grote kakafonie kon ons minder bekoren. Maar het daaropvolgende ‘Toccata’, dat sterk herinnerde aan de repetitieve muziek van Philip Glass, was meteen weer een schot in de roos.
Dat de klasse van de individuele muzikanten hier stond als een huis is zonder twijfel een understatement. Niettegenstaande de onmeetbare complexiteit van deze muziek weet elk van hen precies waar hij of zij staat en vooral waar het allemaal naartoe gaat. Indrukwekkend gewoon.
Er volgde een reeks oudere nummers, zoals ‘Reminders’, waarin het gitaarwerk meer centraal stond. Maar het publiek geraakte pas echt onder stoom tijdens het felle ‘Touch Of Evil’ (opnieuw geplukt uit de nieuwe plaat) dat onder krachtig elektronische toevoer aanzette tot massaal handgeklap. Zelden zagen wij een band zo alle registers opentrekken zoals hier het geval was. Ook de volumeknoppen moeten ver in het rood gestaan hebben. Het publiek genoot met volle teugen.
“You’re better than the Norwegian Audience” bedankte de gebaarde drummer ons en prompt herdoopte hij het oudere ‘Oslo Skyline’ tot ‘Brussels Skyline’. Een eerbetoon dat kon tellen! Tijdens de bisnummers haalden de Jazz Noormannen nog één nieuw nummer met de exotisch klinkende titel ‘Prognissekongen’ uit de kast. Maar voor ons was de (gok)winst al lang binnen. Jaga Jazzist mag zonder twijfel één van de spannendste hedendaagse (jazz)ensembles van het Europese halfrond genoemd worden. Men zegge het voort.

maandag, maart 01, 2010

Lucas Dawson - Another Way To Say Goodbye

Lucas Dawson’s debuut kan je qua thematiek en intensiteit het best vergelijken met meesterwerken als ‘Blood On The Tracks’ (Bob Dylan) en ‘Berlin’ (Lou Reed). Niet dat het duizelingwekkend niveau van deze beroemde voorgangers meteen geëvenaard wordt (niemand doet dat), maar Dawson zorgt met zijn ‘Another Way To Say Goodbye’ toch voor één van de meest beklijvende platen in lange tijd.
Misschien eerst even situeren. De in Perth, Australië geboren en getogen Lucas Dawson verhuisde op zijn 21ste naar Londen waar hij de vrouw van zijn leven ontmoette en haar halsoverkop volgde naar haar thuisland Zweden. Daar liepen de zaken echter niet zoals verwacht en scheidden het koppel van elkaar. Dit album mag dan ook gezien worden als een open brief van Dawson aan zijn ex-lover in de vorm van een muzikaal drama, uitgevoerd door een vrij klassieke four-man-band met enkele additionele muzikanten.
In het openingsnummer ‘Four Catastrophic Years’ loopt de ik-persoon zijn ex, na haar jaren niet meer gezien te hebben, toevallig tegen het lijf. Terwijl deze laatste inmiddels getrouwd is en enkele kinderen ter wereld bracht, loopt de eerste nog steeds doelloos rond, smachtend naar de vrouw van zijn leven. Ter verklaring van zijn levenswandel kan Dawson tegenover zijn ex onomwonden stellen: “You and I know that the right woman has already come and gone”. Meteen een moment dat door merg en been snijdt, zoals even later een felle gitaar zal onderstrepen. Maar er zullen nog meerdere soortgelijke pijnscheuten volgen.
‘Im So Miserable’ is een adembenemend eerlijk verslag van een obsessioneel leven zonder de geliefde waarin zelfbeklag (“It’s all gone to hell back here”), jaloersheid (“I think I heard you sigh / Was he inside?”) en afreageren (“I’ve started drinking and getting in fights”) centraal staan. Een Chet Baker-achtige trompet zorgt mede voor de desolate sfeer die naar de keel grijpt.
“What Am I To Do?” vraagt Dawson zich vertwijfeld af op het moment dat alle communicatie verbroken is en de geliefde zelfs de telefoon niet meer opneemt. “I wish you’d take my calls, or give me back my balls”, klinkt het wanhopig. Niets helpt echter, uitwegen worden niet geboden.
In ‘Burned That House Down’ blijft er slechts stof en as over van het kaartenhuisje dat eens de ideale liefde symboliseerde terwijl ‘We Were Too Young’ voor de mislukking misschien wel een verklaring geeft, maar geen troost biedt. Mooi ook hoe hier de zachte backing vocals van Emily Brown komt aanschurken tegen de getormenteerde ietwat ruwere stem van Lucas Dawson.
De zanger gaat door een bad van snijdende emoties in het naar een climax zoekende ‘Ain’t Life Cruel’ waarin elke poging tot vergeten tot mislukking gedoemd is. ‘I’m Giving up’ lijkt dan ook het enige alternatief, dat bijna swingend wordt ingehaald maar ook dat lukt niet want ‘Old Habits’ sterven, zoals iedereen weet, nog steeds hard.
‘I Hate You’ zoemt nog één keer in op de ruzies die aan het afscheid vooraf gingen (“Like a silent knife driven into my spine in every argument we had”). Hierna is ‘Goodbye’ dan ook de onvermijdelijke, logische slotsong, (hier in duet gezongen met de voortreffelijke Emily Brown), waarin de laatste pogingen tot een reünie definitief worden afgezworen. Het is het soort vaarwel dat eerder als een triomf dan als een treurlied klinkt, maar desalniettemin het afscheid des te pijnlijker maakt.
De mysterieuze titelloze ghost track die het album afsluit is een soort coda waarin de geliefden nog eenmaal aan elkaar verschijnen in een tijd- en ruimteloos kader, als in een droom, waardoor dit album toch nog een open einde lijkt mee te krijgen.
U hebt het begrepen, waarde lezer, Lucas Dawson heeft met ‘Another Way To Say Goodbye’ een bijzonder intense, adembenemende plaat gemaakt die aan de ribben blijft plakken. Wat kan ellende toch mooi zijn.