WELCOME TO SHAKETOWN

WELCOME TO SHAKETOWN

Your Time out of State, Out of Mind

woensdag, november 25, 2009

'Crossing Border' festival te Antwerpen

Het podium van La Zona Rosa waarop The Low Anthem optrad zag er een beetje uit als een reuze grabbelton, bezaaid met talrijke instrumenten waaronder gitaren, drums, staande bas, orgel, klarinet, tamboerijn, cymbalen en nog een aantal speeltuigen waarvan wij de naam helaas schuldig blijven. De groep bestond dit keer uit een kwartet muzikanten met aan het hoofd zanger Ben Knox Miller uit Rhode Island. Daarnaast, meest in het oog springend, staat een meisje, luisterend naar de naam Jocie Adams, dat klarinet en nog andere vreemdsoortige instrumenten bespeelt. De groep zette in drie kwartier tijd een uiterst sfeervol en geslaagd concert neer. Na elk nummer, waarvan de meeste geplukt waren uit hun recente succesvolle cd ‘Oh My God Charlie Darwin’, vond er vaak een hele stoelendans plaats waarbij vinnig van instrumentarium werd gewisseld. Exotische (strijk)instrumenten en een zingende zaag zorgden voor extra sfeer in de half verduisterde zaal. Bovenop deze mooie klanklandschappen doet de stem van Knox Miller wonderen. Soms zingt hij hoog als een onaardse engel (zoals in de titelsong), later schreeuwt hij de boel bijeen als een soort Engelstalige versie van kabouter Wesley die naar Tom Waits geluisterd heeft. Drie kwartier was misschien wat kort voor deze groep. Het smaakte naar meer. We willen The Low Anthem zeker weer eens langer aan het werk zien.
(Meer foto's)

Zoals steeds was er ook plaats voor literatuur op Crossing Border. Eén van de aardigste figuren dit keer aanwezig kennen we als het meisje dat arm in arm loopt met Bob Dylan op diens plaat ‘The Freewheelin’ Bob Dylan’ (1963). Suze Rotolo, inmiddels een kwieke zestiger, gaf vorig jaar een boek uit met de titel ‘A Freewheelin’ Time: A Memoir Of Greenwich Village In The Sixties’ en werd daarover aan de tand gevoeld door de twaalf jaar jongere Kristien Hemmerechts. Zo kwamen we te weten dat the early sixties toch wel heel andere tijden waren dan nu en dat het toen bijvoorbeeld niet evident was dat je als meisje alleen naar de film ging. Boyfriends noemden hun meisje toendertijd nog gewoon ‘Chick’ en zelfs Dylan deed dat. Bob Dylan, die ze introduceerde in de beeldende kunst, beschreef ze als “cute”, maar ook als iemand die alle aandacht naar zich toe zoog. Hij had enorm veel talent, wist§ dat hij het ging maken, maar tegelijk was het een gepatenteerde leugenaar, zoals alle folkzangers, voegde ze er bijna verontschuldigend aan toe. Ze vergeleek hem met Picasso, schepper en vernietiger tegelijk. Rotolo heeft al jaren geen contact meer met Dylan, maar toch voelt ze zich toch nog op een vreemde manier verbonden met haar jeugdliefde en met de tijd die ze in haar boek beschrijft. Even dreigde het interview omwille van de vraagstelling van Hemmerechts te verzanden in een feministisch discours, maar gelukkig keerde Kristien en Suze terug naar het onderwerp waarvoor iedereen gekomen was: de figuur van Bob Dylan. Achteraf signeerde Suze Rotolo met zwier ons exemplaar van haar boek (een regelrechte aanrader!) en nam tijd voor een vriendelijke babbel. (Meer foto's)

Steve Earle stond geprogrammeerd als één van de grote namen op de affiche en dat was ook te merken aan het aantal belangstellenden in La Zona Rosa. Net voor zijn optreden mocht Erwin Mortier enkele van zijn gedichten de zaal in lezen. Hij kreeg daarvoor de aandacht van het publiek dat eigenlijk op Steve Earle aan het wachten was. Of deze mensen ook fan zullen worden van Erwin’s gedichten durven we te betwijfelen, daarvoor waren ze, naar onze smaak, net iets te hermetisch.
Net als Mortier stond Steve Earle even later alleen voor hetzelfde publiek, weliswaar met gitaar. Tijdens zijn zestig minuten optreden bracht de troubadour wederom eer aan zijn grote leermeester Townes Van Zandt. “When I First heard the Music of Townes at 17 I thought that it was the coolest thing I’d ever heard. Now I’m 54 and I STILL think this music is the coolest thing I’ve ever heard”. Earle pakte eerst uit met rauwe versies van onder meer : ‘Colorado Girl’, ‘Brand New Companion’ en het de ultieme Townessong ‘Pancho & Lefty’ en bracht daarna een bloemlezing uit eigen werk (want de zanger is natuurlijk zelf een geniaal songschrijver). Alle respect voor zijn Townes covers, maar het was toch wachten op songs als ‘My Old Friend the Blues’ en vooral ‘Goodbye’ vooraleer Steve ons echt bij het nekvel vastgreep. Afsluiter ‘Copperhead Road’ kon menigeen bekoren maar deze prachtsong hebben we de singer-songwriter al beter weten performen. Steve Earle ontgoochelde in Antwerpen zeer zeker niet, maar eerdere doortochten waren toch net ietsje meer geïnspireerd, dachten we. (Meer foto's)


zondag, november 22, 2009

Deep Purple pleziert jong en oud in de Lotto Arena

In 2008 leverde het vijftal nog een gesmaakt optreden op de Tiense Grote Markt en aan hun succes lijkt blijkbaar geen einde te komen. Deep Purple slaagde er ook nu weer in om de Lotto Arena in Merksem helemaal uit te verkopen. Een klein sociologisch onderzoek onder de aanwezigen zou interessant materiaal kunnen opleveren. We merkten fans op uit zowat alle leeftijdscategorieën en van allerlei pluimage: jonge tieners met metallica t-shirts, heren in kostuum, oude boskabouters met uitgerafelde baarden, woeste bosnimfen, mensen met veel haar en mensen zonder één haar, Nederlanders, Duitsers, Fransen… Wat een allegaartje!
De sympathieke Gentse groep The Vipers mocht de avond openen en deden dat door middel van enkele gesmaakte covers. Om hun groepsnaam wat aanschouwelijk voor te stelen lagen er een paar groene Ikea slangen op het podium gedrapeerd. De band opende met een stevig ‘Roadhouse Blues’, gevolgd door een denderend ‘Hard To Handle’ (Black Crowes). Opperslang Georges Bracke zag dat het goed was maar bleef wat op de achtergrond. Met Pieter Minne heeft de groep een prima gitarist in de rangen die toch wel de aandacht weet te trekken. Na een ferm ‘Almost Cut My Hair’ vonden wij de cover van ‘Helter Skelter’ het hoogtepunt van hun set.
Om negen uur stipt openden de Purperen Hardrockmeesters meteen fantastisch met het onverslijtbare ‘Highway Star’. Gillan is op zijn 64ste nog steeds goed bij stem. Met dichtgeknepen ogen perst hij zijn typische gilletjes eruit. De hoge noten haalt hij niet altijd meer, maar hij blijft overtuigen op karakter. Aandoenlijk hoe de zanger (steeds op blote voeten) zich amuseert op het podium.
Met het volgende nummer ‘Things I Never Said’, uit hun laatste studioplaat van 2005, bewees de groep niet gekomen te zijn om enkel hun grootste hits uit de jaren ’70 af te dreunen. Later volgde ook nog “The Well Dressed” en de titelsong ‘Rapture Of The Deep” als recent werk. En hoorden we daar Ian Gillan niet verkondigen dat de band in februari een nieuwe plaat gaat uitbrengen? Deep Purple helemaal afschilderen als een retro-act klopt dus niet, al ligt het belang van de groep natuurlijk wel in het verleden. Als pioniers van de hardrock effenden ze de baan voor de metalgroepen die pas later zouden ontstaan. Hun invloed op de ‘harde’muziek van vandaag is overduidelijk.
Het bluesy ‘Maybe I’m A Leo’ en vooral ‘Strange Kind Of Woman’ verwezen naar hun roemrijke verleden. Als de band op dreef is zorgen ze nog steeds voor magie. De zware bastonen van Roger Glover en de mokerslagen van Ian Paice vormen het fundament waarop Don Airey en supergitarist Steve Morse kunnen vlinderen. Dat deze laatste door allerlei gitaarmagazines meermaals verkozen werd tot meest veelzijdige gitarist illustreerde de man tijdens zijn vele adembenemende solo’s. Net als bij alle andere groepsleden valt ook bij hem het speelplezier op. Hij laat zijn gitaar snerpen, snijden, janken of fluiten dat het een lieve lust is. Breed glimlachend communiceert hij met het publiek, knipoogt naar de voorste rijen of steekt een duim op. Voor wie dit nog kan opbrengen, ondanks het zware tourprogramma, nemen we graag onze spreekwoordelijke hoed af.
De groep speelde ook enkele tragere nummers: het obscure ‘Wasted Sunsets’ uit de jaren ’80 en ‘Sometimes I Feel Like Screaming’ (uit de 90ties), voorafgegaan door een mooie Morse solo, zorgden voor de nodige rustpunten in de set.
De finale was, wat had u gedacht, ook nu weer schitterend. ‘Space Truckin’’ deed de Lotto Arena op zijn grondvesten daveren. ‘Smoke On The Water’, drijvend op de bekende, bijna belachelijk eenvoudige gitaarriff, blijft onweerstaanbaar en veranderde het publiek in een kolkende mensenzee. Nog nooit zoveel mensen tegelijk luchtgitaar zien spelen, moeten wij eerlijk bekennen. Jong en oud genoten met volle teugen, dit was hét moment waarop generaties mekaar omarmden.
In de bissen volgden nog het oeroude ‘Hush’, een denderende bassolo van Roger Glover en het massaal meegebrulde ‘Black Night’. Mokerslagen om U tegen te zeggen. En wat zeggen wij nu? Bedankt, heren van Deep Purple, het was weer genieten op de purperen hei!
(Meer foto's)


zaterdag, november 21, 2009

Branford Marsalis geeft meesterlijk leiding aan zijn Quartet

Dat Branford Marsalis uit een muzikale familie komt is het minste wat je kunt zeggen. Als oudste van zes broers (waarvan er nog drie andere jazzmuzikant zijn) en met vader pianist Ellis Jr. Marsalis in huis zal muziek wel het belangrijkste gespreksonderwerp geweest zijn binnen het gezin. Zijn bekende jongere broer en trompettist Wynton is altijd wel een beetje de meest succesvolle van de familie geweest. Maar het is duidelijk dat het tij de laatste jaren lijkt te keren en dat Branford steeds meer op de voorgrond treedt als de ‘Marsalis number one’.
Het Branford Marsalis Quartet wordt algemeen beschouwd als één van de beste jazz ensembles ter wereld en na hun concert in de Brusselse AB begrepen we ook waarom. Eén van de vaak aangehaalde redenen hiervoor is omdat dit kwartet, bestaande uit pianist Joey Calderazzo, bassist Eric Revis, drummer Jeff "Tain" Watts en Branford Marsalis zelve, nu al tien jaar ononderbroken samenspeelt. Maar dit argument klopt slechts ten dele, de intrinsieke kwaliteit van elke afzonderlijke muzikant draagt ook zeker bij tot de kracht van de uitvoering, want het is niet zo dat als je tien jaar samenspeelt dat je ook automatisch goed bent. Bovendien was vaste drummer Jeff “Tain” Watts deze keer niet van de partij (hij maakt momenteel promotie voor zijn eigen soloproject). Hij werd echter op schitterende wijze vervangen door de piepjonge 18-jarige Justin Faulkner, die mee de avond kleurde door zijn spectaculaire stijl.
Vanaf de eerste noot was het duidelijk dat Branford de lakens uitdeelt in de groep. Breed glimlachend bespeelt hij zijn sax alsof het kinderspel is, af en toe een ‘yeah’ roepend om zijn andere bandleden aan te porren. Een blik, een simpel gebaar van Branford en de andere muzikanten weten hoe laat het is. Zelf bepaalt hij wanneer hij een stapje opzij zet en één van de anderen ruimte geven voor een solo. Soms verdwijnt hij zelfs een tijdje in de coulissen om daarna terug de sax in handen te nemen en opnieuw de richting te bepalen. Branford is the boss, zoveel is duidelijk, maar hij is er eentje met een groot hart waarmee veel respect toont voor zijn muzikanten. Speelplezier en een goed gevoel voor humor zijn hierbij nog eens extra troeven, die deze leider overduidelijk bezit.
De snellere nummers speelde Marsalis op tenor- of altsax, voor de ballads koos hij tekens voor de sopraansaxofoon. Bloedmooi klonken die tragere nummers en ze staken schril af tegen het stomend geweld dat Marsalis en Co op andere momenten genereerde.
Het is een plezier om te zien hoe pianist Joey Calderazzo over zijn toetsen daverde, dialogen voerde met Marsalis, net niet verdwaald geraakte en aan het eind toch steeds weer op zijn voetjes terecht kwam. Bassist Eric Revis zette enkele mooie solo’s neer en trok soms zo hard aan de snaren dat we vreesden dat deze het zouden begeven. Maar het spektakelstuk van de avond was (naast Marsalis) het spel van drummer Justin Faulkner. Jong en onstuimig ging hij als een bezetene tekeer op zijn instrument, terwijl zijn vier ledematen het ding martelden, als betrof het hier een gevangene van Guantanamo. Marsalis keek daarbij streng toe en dwong de jongeling tot het uitertste, maar je kon merken dat hij best fier was op zijn nieuwe drummer. Dat Justin Faulkner een grote toekomst tegemoet gaat staat nu al vast.
De sfeer van het concert deed denken aan de laatste cd ‘Metamorphosen’ , al klonken de gespeelde nummers vaak erg vertimmerd zodat ze onderling quasi onherkenbaar werden. Een metamorphose van de ‘Metamorphosen’ dus, kenmerkend voor de vernieuwende weg die de groep nu toch al een tijdje inslaat en waarmee het Branford Marsalis Quartet overal ter wereld hoge ogen gooit.
De opkomst in de Ancienne Belgique was zeker niet slecht maar had beter gekund. Jammer, want betere jazz ensembles krijgen we hier in België maar zelden te zien. Laten we dus hopen dat we het Branford Marsalis Quartet spoedig weer zullen mogen begroeten op vaderlandse bodem. Yeah!
(Meer foto's)


zondag, november 15, 2009

Spraakzame Morrissey haalt fors uit

Allerlei voorvallen zorgden er de afgelopen weken voor dat Morrissey opnieuw in de pers kwam. Zo werd hij na gezondheidsproblemen tijdens zijn concert in Swindon afgevoerd naar het ziekenhuis en stapte hij enkele dagen later in Liverpool zelf op nadat hij een plastieken bekertje tegen zijn hoofd gegooid kreeg, zijn verbaasde publiek achterlatend met slechts één woord: “Goodbye”. Benieuwd naar de gemoedsgesteldheid van de zanger en in de hoop een even krachtig concert te mogen meemaken als in Antwerpen eerder dit jaar begaven wij ons naar Vorst Nationaal.
Voorprogramma Doll & The Kicks kon ook dit keer overtuigen: de charismatische zangeres Hannah Scanlon (AKA Doll) weet precies hoe ze de aandacht van haar publiek kan trekken. Ze beweegt zich als een soort venijnig Sneeuwwitje over het podium, terwijl haar band loeihard van jetje geeft. De schok tussen de schone (Doll) en de beesten (The Kicks) levert de magie op die deze groep boeiend maakt. Iets wat ook Morrissey moet zijn opgevallen want hij sleurt de band nu toch al een tijdje in zijn kielzog mee.
Ook nu weer kregen we tijdens de pauze wat videoprojecties voorgeschoteld van onder meer The New York Dolls, The Sparks, Alan Price, Nico, Shocking Blue, Joe Dolan en Lou Reed, die allen tot Morrissey’s favorieten behoren. Best aangenaam en eens iets anders dan de gebruikelijke wachtmuziek die meestal niet veel om het lijf heeft.
Om 21u00 stipt begon Morrissey aan zijn set met de Smiths klassieker ‘This Carming Man’, het vaste openingsnummer de laatste maanden. Wie echter vreesde net dezelfde show te moeten ondergaan als in Antwerpen kreeg ongelijk. Moz speelde zomaar eventjes acht (op twintig) andere nummers dan vijf maand eerder in de Scheldestad. Hardcore Smithsfans konden hun hartje ophalen bij vlotte versies van ‘Is It Really So Strange?’, ’ Death At One’s Elbow’ en vooral ‘Cemetry Gates’ (alle drie niet op de setlist van Antwerpen) en natuurlijk ‘Ask’, dat ook nu weer massaal werd meegezongen.
De zanger zag er een beetje vermoeid uit en het duurde even voor hij volledig bij stem was, maar Moz vocht zich moedig doorheen zijn set, vastberaden om alles te geven. Soms leek hij daarbij wat verbaasd over de positieve reacties van het publiek: "Is it really that good? Have you been drinking? You will be soon". De zwaar zwetende frontman kon zelf af en toe ook een slokje gebruiken.
Ondertussen bleef Morrissey muzikaal wel spijkers met koppen slaan. ‘I'm Throwing My Arms Around Paris’ bleef ook live een wereldsong. ‘Irish Blood, English Heart’ bezat de dynamiek van een splinterbom terwijl “First Of The Gang To Die” opnieuw aanzette tot samenzang, waarbij de voorste rijen als vanouds hun idool trachten aan te raken (al was dat dit keer omwille van de dranghekkens wat lastiger dan in Antwerpen).
Keurige popmuziek moet je van Morrissey niet verwachten en de rustige momenten waren dan ook schaars. “Why Don't You Find Out For Yourself” was zo’n nummer dat in een lagere versnelling werd gespeeld. Aansluitend bij de tekst van “The World Is Full Of Crashing Bores” vroeg de zanger: “Can you name one?" waarbij hij de micro doorgaaf aan het publiek. Onder meer Nicolas Sarkozy en Koning Albert werden genomineerd, al voegde Morrissey er meteen aan toe dat niemand kon tippen aan de leden van het Britse koningshuis.
In tegenstelling tot vele andere Europese concerten leek Moz in Brussel wel erg spraakzaam en in good spirits. Zo deed hij ons het verhaal van zijn vorige nacht in de hoofdstad: “Last night at the Hotel Amigo in Brussels - do you know the hotel? - I ended up on Marianne Faithfull's bed. She was in the bed, smoking Marlboro. I was on the bed, not smoking. And, what? Well, I'm about to tell you! Patience. What happened next was.. nothing. We exchanged pleasantries, I tipped my hat, threw on my cape, jumped on my bicycle.” Het verhaal zal wel kloppen want Faithfull stond inderdaad de vorige avond in de Ancienne Belgique.
Daarna volgden onder meer nog de ultieme Smithssong ‘How Soon Is Now?’, loeihard maar fantastisch gespeeld, het op zware bastonen uitmondende ‘The Loop’ en het meedogenloze ‘I’m OK By Myself”. Hier en daar hoorden we mensen klagen dat de band veel te hard speelde, maar daar hadden wij niet echt problemen mee. Krachtige songs zoals die van Morrissey hebben soms een aantal extra decibels nodig om voor de juiste dynamiek te zorgen.
De bisronde bestond uit één enkel nummer: ‘Something Is Squeezing My Skull’. Daarna kon Morrissey moe maar tevreden terugkijken op –alweer- een schitterend concert: "You have made my heart swell. Thank you Brussels!". Na de song trok hij zijn kletsnat hemd uit en gooide het met een zwier de menigte in, die het relikwie wild aan stukken scheurde. Iedereen wil een stuk Morrissey in huis, liefst nog voor zijn heiligverklaring. (Meer foto's)


zaterdag, november 14, 2009

Marianne Faithful etaleert pure klasse in Brussel

En wat te denken van de nu al 62 jarige Marianne Faithful? Ze verkoopt moeiteloos de Ancienne Belgique uit en zet een uitstekend concert neer met haar zevenkopige band. Ze ziet er misschien al een beetje als een oma uit, maar op haar artistieke kwaliteiten zit nog geen sleet. Oudere songs als 'Times Square', 'Broken English' en 'The Ballad of Lucy Jordan' wisselen af met nummers uit haar recente coverplaat 'Easy Come, Easy Go'. Met een presence van een Piaf en de stem van een hedendaagse Marlène Dietrich zet ze grandiose versies neer van Randy Newman's 'In Germany Before War', Duke Ellington's '(In My) Solitude' en Dolly Parton's melodramatische 'Down From Dover'. Hoesten en rochelen doet ze tussendoor als de beste duivelin. Daarbovenop krijgen we aan het eind van haar concert enkele kippenvelmomenten in de vorm van 'Sister Morphine', 'As Tears Go By' en het aan Keith Richards opgedragen 'Sing Me Back Home'. De Morrissey song 'Dear God Please Help Me' sluit het optreden af. Later op de avond zou Marianne de auteur van dit laatste nummer nog ontmoeten in haar hotelkamer in Brussel (zie verslag Morrissey). Maar eerst nam ze breed glimlachend het minutenlang applaus in ontvangst van haar Brusselse publiek. Geweldig concert! (meer foto's)


zaterdag, november 07, 2009

Melody Gardot in Brussel: Muzikale magie op naaldhakken

Onaangekondigd mocht de sympathieke Oost-Vlaamse Pueroricaan Gabriel Rios de avond met een akoestische set openen. Dat deed hij onder meer met een versie van Voodoo Chile (“Een song die niemand hoort te coveren”) en wat nieuwe nummers (Orion, Natural Disaster, …) uit zijn in februari te verschijnen nieuwe cd. Rios drukte tussendoor even zijn spijt uit dat hij, als inwoner van Vlaanderen, zo weinig in het Franstalige landsgedeelte kon optreden en wijdde dit vooral aan de politieke situatie in dit land. Deze uitlating en zijn muzikale prestaties leverde hem positieve reacties op van het Brussels publiek.
Daarna liet Melody Gardot lang op zich wachten hetgeen hier en daar wat ongenoegen in de zaal bracht. Het ritmisch in de handen klappen als teken van ongeduld leverde weinig op, maar gelukkig verscheen de zangeres iets voor halftien uiteindelijk toch op het podium.
Het levensverhaal van de uit Philadelphia afkomstige Melody Gardot is genoegzaam bekend. Op haar negentiende werd ze slachtoffer van een zwaar verkeersongeval. Tijdens haar zware revalidatie kreeg ze onder meer muziektherapie waardoor ze songs begon te schrijven. Het resultaat hiervan is te beluisteren op de twee uitstekende studioplaten ‘Worrisome Heart’ (2008) en ‘My One And Only Thrill’ (2009).
Melody Gardot wordt vaak vergeleken met artiesten als Diana Krall of Norah Jones, maar bezit volgens ons toch een meer duister kantje dan de andere twee zangeressen, ook al vissen ze allemaal uit dezelfde vijver, namelijk uit deze van de smooth jazz.
Dat Gardot op de planken staat met een zonnebril en af en toe gebruik maakt van een wandelstok is niet zomaar een gimmick, maar heeft alles te maken met de gevolgen van haar ongeval. Het podium bleef heel het optreden trouwens zwaar onderbelicht omdat de zangeres het felle licht niet goed meer verdraagt. De bedoeling van het vreemde ritueel om bij aanvang van haar optreden fijn zand (of was het een poeder?) rond te strooien was ons niet meteen duidelijk. Het leek wat op asverstrooiïng na een crematie. In ieder geval kreeg ze hiermee eenieders onverdeelde aandacht en misschien was dat wel haar bedoeling.
Kort daarna zette Gardot een a capella versie neer van ‘No More My Lord’, zichzelf begeleidend door handgeklap en het stevig stampen met haar naaldhakken, waardoor het rituele stof uit de openingsscène terug opsteeg. Even waanden we ons de getuigen van een Indiaans dansritueel, met Gardot als Sjamaan van dienst, al klopte dit niet meteen met de outfit van de zangeres, dat eerder geleend leek uit een Franse Film Noir, maar soit.
Even later dook Melody bijna letterlijk in haar vleugelpiano om er eigenhandig de snaren van te beroeren. Het leverde een bevreemdende intro op voor ‘The Rain’. Dezelfde magie bleef in de lucht hangen bij het aartsdonkere ‘Your Heart Is As Black As Night’, dat zeker tot één van de hoogtepunten van de avond gerekend mag worden. Haar uitstekende band bestaande uit Irwin Hall (sax), Ken Pendergast (bas) en Charles Staab III (drums) kreeg alle ruimte om zich uit te leven in ‘Les Etoiles’, waarin de zangeres even verdween om daarna terug te komen in een beeldige witte mantel die haar de allure van een Parijse filmster uit de jaren ‘50 gaf.
In haar bindteksten had Gardot het over de liefde en hoe ze eraan verslaafd was. Een betere verslaving dan drugs, drank of geld vond ze. En ook als een relatie uiteindelijk mislukt blijft er in tegenstelling tot andere verslavingen toch één lichtpunt: “At the end, you always get your stuff back” .
‘Lover Undercover’ en ‘Baby, I’m A Fool’ illustreerden haar levensfilosofie muzikaal. Verder zette ze een boom op over het “niet te vertalen” begrip ‘Saudade’, waarmee ze, naar eigen zeggen, geestelijk verwant was. Gardot gebruikte net iets te veel clichés om helemaal authentiek over te komen maar muzikaal bleef ze wel hoge toppen scheren. ‘If The Stars Were Mine’, een wereldsong van eigen hand, zong ze bloedmooi naar, inderdaad, de sterren. ‘Worrisome Heart’, gestut onder het handgeklap van de drummer, was dan weer een mooi staaltje van muzikale inventiviteit.
Zo bracht Gardot elk van haar songs met de grootste zorg, waarbij ze soms zelf gitaar speelde, soms achter de piano plaatsnam of gewoon zangeres was, maar ze deed het telkens met de presence van een jazzdiva in haar glorietijd.
Andere momenten om te onthouden waren het verstilde ‘Deep Within the Corners of My Mind’ en het bluesy ‘Who Will Confort Me’, dat door het publiek ritmisch werd meegeklapt.
Melody Gardot bracht als bisnummer eerst het aan haar grootmoeder opgedragen ‘Over The Rainbow’ en liet haar uitstekende band daarna voluit excelleren in de Duke Ellington klassieker ‘Caravan’. Even waanden we ons in een donkere jazzclub, midden de jaren ’50, met Gardot perfect in de rol van scatzangeres. Die scatzang of vocale improvisatie ligt haar trouwens prima en onderscheidt haar van vele andere smooth jazz zangeressen. Ze doet hiermee eerder denken aan Ella Fitzgerald, die ongetwijfeld één van haar helden is.
Er dringt zich slechts één eindoordeel op: Melody Gardot zorgde in het Koninklijk Circus voor een onvergetelijk concert. Geef deze dame nog enkele jaren de tijd en ze wordt wereldklasse, zoveel is zeker. (Meer foto's)


donderdag, november 05, 2009

‘Kind of Blue’ at 50 - Jimmy Cobb's So What Band

Dit jaar is het precies 50 jaar geleden dat Miles Davis het album ‘Kind Of Blue’ uitbracht, dat qua artistiek belang voor de jazz ongeveer te vergelijken is met wat ‘Sgt. Pepper’ van The Beatles betekent voor de popmuziek. Dit werk van Miles had meer invloed dan om het even welke andere binnen het genre en er werden wereldwijd miljoenen exemplaren van verkocht. ‘Kind Of Blue’ was dan ook dé jazzplaat die ook niet-jazzliefhebbers wist te overtuigen. Meer zelfs, vele mensen geraakten door middel van dit album pas echt geïnteresseerd in jazz.
Dat de 50ste verjaardag van dit werkstuk niet onopgemerkt voorbij zou gaan, stond dan ook in de sterren geschreven. Van de originele muzikanten (Miles Davis, John Coltrane, ‘Cannonball’ Adderley, Paul Chambers, Bill Evans, Wynton Kelly en Jimmy Cobb) die aan ‘Kind Of Blue’ meewerkten is alleen drummer Jimmy Cobb nog in leven. Het idee kwam dan ook van deze ‘laatste der (jazz-)mohikanen’ en een schare extra muzikanten om het vijftig jarig bestaan van dit legendarische album passend te herdenken.
De Ancienne Belgique trakteerde de talrijke aanwezigen eerst op de vertoning van de recente documentaire ‘Celebrating A Masterpiece: Kind Of Blue’ van Chris Lenz, waarin zowel de muzikanten, als de individuele nummers op het album werden belicht en het geheel daarbij nog eens door deskundigen (waaronder Herbie Hancock) geanaliseerd werd in historisch perspectief. Een aperitief dat kon smaken! (Voor wie deze uitstekende film gemist heeft: hij zit als extra dvd bij de laatste double disc verjaardagsuitgave van ‘Kind Of Blue’, te verkrijgen bij de betere muziekhandelaar).
Daarna keek iedereen uit naar de komst van veteraan Jimmy Cobb en zijn muzikanten die de nummers uit ‘Kind Of Blue’ live gestalte zouden geven. Dat dit een niet te onderschatten opgave was, mocht meteen al duidelijk zijn want hoe pak je zoiets aan? Speel je het originele album noot voor noot na, dan dreig je nostalgisch ten onder te gaan en verlies je de ‘spirit’ van de jazz. Geloof je in een eigentijdse benadering en improviseer je erop los, riskeer je de herkenning bij het publiek te verliezen. Gelukkig kozen Jimmy Cobb en zijn ‘So What Band’ voor een gulden middenweg. Thema’s en melodieën klonken herkenbaar, maar daartussen werd er geïnterpreteerd en geïmproviseerd.
Elk van de vijf nummers van ‘Kind Of Blue’ kwam in de originele volgorde aan de beurt. De openingstrack ‘So What’ klonk sneller dan het origineel maar wist meteen te overtuigen. Trompettist Wallace Roney kon natuurlijk onmogelijk Miles doen vergeten maar slaagde er toch in de juiste toon te zetten. Dat gold ook voor tenor saxofonist Javon Jackson, die fysiek wat leek op de jonge Sonny Rollins, maar in deze setting de rol van John Coltrane toebedeeld kreeg. Deze laatste naar de kroon steken lukt niemand, een eerlijke tribute neerzetten kon gelukkig wel. Het derde lid van de blazerssectie, altsaxofonist Vincent Herring, kwam door zijn levendige spel misschien het best uit de verf in de rol van ‘Cannonball’ Adderley. Bassist Buster Williams speelde het hele concert door op niveau en liet af en toe een mooie solo horen.
‘Freddy Freeloader’, de tweede track uit ‘Kind Of Blue’, genoemd naar een zekere Freddy die er steeds in slaagde om tijdens concerten van Davis gratis binnen te geraken, is misschien het meest frivole nummer van de plaat. Ook deze live versie konden we smaken, mede dankzij het leuke pianowerk van Larry Willis, die de rest van de avond zou blijven schitteren. Tijdens ‘Blue In Green’, de eerste ballad uit het album , viel het subtiele drumwerk van Jimmy Cobb op, die zijn cymbalen aanraakte alsof ze van porselein waren. ‘All Blues’ bracht met vele solo’s het beste in iedere muzikant naar voren. Tijdens afsluiter ‘Flamenco Sketches’, de tweede ballad, riep trompettist Walace Roney Spaanse sferen op, zoals zijn leermeester Miles Davis hem dat had voorgedaan.
Na het spelen van de reguliere plaat volgde nog één extra nummer ‘The Theme’, waarin de inmiddels tachtigjarige Cobb het publiek kon trakteren op een schitterende drumsolo, iets waar er op ‘Kind Of Blue’ nooit plaats voor was.
De voltallige band werd daarna nog teruggeroepen voor één extra bisnummer en verliet dan tevreden het strijdtoneel onder een daverend applaus van het Brussels publiek. Dat ‘Kind Of Blue’ nog vele generaties (jazz)muzikanten zal beïnvloeden is nu al een vaststaand feit. Deze tribute, met op het podium één van de originele muzikanten die op de legendarische opnames heeft meegespeeld , kunnen we niet anders beschrijven dan volstrekt uniek. Bedankt AB!
(Meer foto's)


vrijdag, oktober 30, 2009

Shaketown informeert: Consumententip van het jaar!

Eén van de allerbeste muziekboxen die ooit werd uitgebracht 'The Complete Billie Holiday On Columbia (1933-1944)' , bestaande uit tien (10!) cd's met topsongs als 'A Fine Romance', 'I cried For You', 'Easy Living', 'My Man', 'Nice Work If You Can Get It', 'The Man I Love', 'Night And Day', 'God Bless The Child', 'You Go To My Head', 'All Of Me' en 'Gloomy Sunday' is nu voor slechts tweeëntwintig (22!) euro te koop in Fnac (en hopelijk ook nog in een heleboel andere muziekhandels). Het geheel zit verpakt in een handige box met daarin een prachtig boekje. Dezelfde box (in groot formaat) kochten wij een jaar of acht geleden nog voor een flinke 200 euro. De doos bevat 320 volledig geremasterde songs uit de beste periode van Billie Holiday en in totaal meer dan elf (11!) uur sublieme muziek van misschien wel de beste zangeres van de 20ste eeuw. In 2002 kreeg deze uitgave overigens een dikverdiende grammy award voor 'Best Historical Album'. Elke ware muziekliefhebber die dit juwelenkistje voor zulk een belachelijke prijs aan zijn neus voorbij laat gaan, dient dringend heropgevoed te worden. Men zegge het voort!


donderdag, oktober 22, 2009

Baez op haar best in Brugge

De Amerikaanse folkzangeres Joan Baez hoeft nauwelijks voorgesteld te worden. Jarenlang stond ze op de barricaden met haar strijd voor vrijheid, burgerrechten en haar protestliederen tegen allerlei oorlogen en conflicten in de wereld. Baez stond verder nog in de schijnwerpers omwille van haar knipperlichtrelatie met Bob Dylan, haar actieve steun voor de geweldloze strijd van Martin Luther King, haar deelname aan het Woodstockfestival en zovele andere festivals ten voordele van de goede zaak (Live Aid 1985, Human Rights Now! Tour , …)
Naast de vele zelf geschreven folksongs blonk Joan vooral uit in het interpreteren van traditionals en liederen van onder meer Bob Dylan, Pete Seeger, Woody Guthrie, The Beatles en Paul Simon. Joan Baez een legende noemen is dan ook bijna een understatement. We keken dan ook reikhalzend uit wat deze ‘grand lady’ zou brengen in de volledig uitverkochte Brugse stadsfeestzaal.
De nu al 68-jarige zangeres betrad het podium ongeveer een kwartiertje te laat en excuseerde zich hiervoor bij haar publiek. Het welkomsapplaus van de Bruggelingen was (helaas) niet echt hartelijk te noemen en mogelijk had dit wat met deze vertraging wat te maken. Gelukkig liet Baez dit niet aan haar hart komen en startte haar set met een innemende versie van ‘Lily Of The West’ (geen Dylansong zoals menigeen denkt, maar een traditional die de zangeres al opnam op haar tweede soloplaat in 1961, twaalf jaar vooraleer Dylan dit zou doen).
Vier muzikanten zorgden voor de akoestische begeleiding van de Amerikaanse ‘First Lady of Folk’. De Iers-Amerikaanse John Doyle schitterde op gitaar en mandola, terwijl Multi-instrumentalist Dirk Powell geweldige dingen liet horen op mandoline, viool en accordeon. Een secure drummer en een zeer degelijke bassist vervolledigden het gezelschap.
Doorheen het concert bleef het telkens genieten van de prachtige stem van Joan, die met de jaren wat dieper en wat ons betreft ook mooier is geworden. Het overdreven zingen met vibrato is nu (gelukkig) verdwenen en maakt plaats voor een rijpere, meer doorleefde stem die helemaal juist zit. Ook het gitaarspel van Baez mocht er zijn en ze nam er alle tijd voor om haar gitaar tot in de fijnste details te stemmen.
En wat te zeggen van de setlist? We zouden deze niet anders als ‘perfect’ kunnen bestempelen. Uit haar rijk gevulde carrière plukte Baez een mooie selectie songs. Bob Dylan’s ‘With God On Our Side’ bijvoorbeeld, weinig gespeeld door de auteur zelf maar wel levenslang op de setlist van Baez. Het ontroerende ‘Farewell Angelina’ gold als een minder bekende Dylan parel en later volgde ook nog het deels in het Nederlands gezongen ‘Blowin’ In The Wind’ oftewel “weurden in de wind’.
Daarnaast noteerden we knappe versies van ‘Joe Hill’ (oa bekend van Woodstock) en het Spaanse ‘La Llorona’. “Er sterven nogal vaak mensen in mijn songs”, stelde Joan hardop vast, “maar ja, wat wil je, schoonheid en verdriet gaan vaak hand in hand”. Niet de laatste keer dat de zangeres spijkers met koppen sloeg.
In haar bindteksten kon de Amerikaanse haar publiek blijvend boeien. Zo vertelde ze dat ze er ooit op uitgestuurd werd om Martin Luther King wakker te maken met een lied, terwijl deze in een kamer lag te slapen en niemand de durf had om hem te wekken. De goede King ontwaakte tijdens het lied slechts half, menende dat hij een engel hoorde zingen! Na dit sterke verhaal zong Baez hetzelfde lied voor ons, a capella en zonder microfoon: ‘Swing Low, Sweet Chariot’, een kippenvelmoment.
Uit haar laatste cd ‘Day After Tomorrow’ pikte Baez ‘Scarlet Tide’ en ‘God Is God’ van Steve Earle (die ze een tweede maal eerde met de slotsong ‘Jerusalem’).
De enige minder sterke momenten waren het flauwe ‘Just The Way You Are’ (“geschreven door iemand in de band”) en een minder geïnspireerd ‘Gospel Ship’. Voor de rest niets dan goed over deze grote dame die nog steeds op het podium staat met een enorme uitstraling naar het publiek toe.
Die rode sjaal rond haar nek droeg ze zichtbaar met trots en stond haar trouwens beeldig (Caroline G.,neem hier eens een voorbeeld aan!). Feit is dat deze dame, na bijna vijftig jaar, nog steeds symbool staat voor motivatie, persoonlijkheid en artistieke integriteit. Voor zover we weten doet bijna niemand haar dit na.
Waar zijn de (nobel)prijzen? (Meer foto's)


zondag, oktober 18, 2009

De zilveren lente van Fleetwood Mac

Het gezegende muzikale jaar 1977 wordt meestal herinnerd als het jaar van de doorbraak van The Sex Pistols, maar men mag niet vergeten dat het het album ‘Rumours’ van Fleetwood Mac was dat maandenlang (31 weken in Bilboard 200) de hitlijsten aanvoerde, zowel in The States als in Europa. Met 40 miljoen verkochte exemplaren behoort dit meesterwerk nog steeds tot de best verkopende platen allertijden. Na zo’n monstersucces kon het alleen maar bergaf gaan, wat ook min of meer gebeurde. Akkoord, de groep bracht gemiddeld nog om de vier jaar een nieuw album uit, waarvan er een paar de top van de charts haalden, maar de meeste andere platen flopten of werden op relatieve onverschilligheid onthaald. Live bleef de groep het echter uitstekend doen, getuige het succes van de ‘Say You Will’ wereldtour van 2003-2004, die de band wel naar Europa maar niet naar de Lage Landen bracht. Tweede vrouwenstem Christine McVie nam net als deze keer ook toen al niet meer deel aan de tournee, spijtig als men beseft dat zij toch tekende voor songs als ‘Songbird’, ‘Oh Daddy’ en ‘You Make Loving Fun’.
Maar ook zonder Christine McVie bleek het Antwerpse Sportpaleis tot de nok gevuld voor de komst van de Amerikaanse groep met Britse roots. Het publiek bestond hoofdzakelijk uit veertigers en vijftigers, waarvan sommigen in het gezelschap verkeerden van hun opgeschoten zoons of dochters, die wel eens wilden onderzoeken wat de helden van hun ouders nu eigenlijk waard waren.
Nadat de zaallichten doofden, duurde het een tijdje vooraleer de bandleden hun juiste plaats vonden op het podium waarna ze met een aangenaam ‘Monday Morning’ de aftrap gaven van hun concert. Na dit geslaagd opwarmertje volgde meteen veel herkenningsapplaus voor ‘The Chain’ en daarna nog wat meer voor de prima versie van ‘Dreams’, met Stevie Nicks in de klassieke rol van dromerige muze. Even later haalde Nicks, gekleed in een soort heksen outfit, herinneringen op aan haar beginjaren als zangeres bij het groepje ‘Fritz’, waarin ze met Lindsey Buckingham speelde. ‘Gypsy’ werd helemaal aan dit roemrijke verleden opgedragen en terwijl Stevie dit zong beseften we plots hoe autobiografisch deze song nog steeds klinkt, met het nomadische vrijheidsideaal als de seventies variant van de American Dream. Helaas kende deze levenswandel voor Nicks ook een aantal kwalijke neveneffecten zoals scheiding, alcohol en drugs. Maar één ding is zeker , na al die jaren staat ze er nog en hoe! Akkoord, ze haalt de hoge noten niet allemaal meer maar voor een vrouw die zoveel heeft meegemaakt is Stevie nog bijzonder goed bij stem. ‘Rhiannon’, de song over een Welsche heks, stond haar op het lijf geschreven, alsook het lyrische ‘Sara’, dat menigeen wist te bekoren. Maar het ultieme Nicks moment kwam er bij het sublieme ‘Gold Dust Woman’, waarin de zangeres met haar rug naar het publiek toe met haar besjaalde armen opensperde en hiermee de illusie opwekte een nachtvlinder te zijn, die zich verbrandde aan het tegenlicht van de spots.
Maar dé ster van de avond was zonder twijfel gitarist Buckingham, die nog steeds speelt met de energie van een jonge punkrocker. Na elke geslaagde solo, waarvoor hij vele open doekjes oogstte, krijste hij het uit van opwinding, waardoor hij net niet zijn zelfbeheersing verloor. Aandoenlijk en zelden gezien bij artiesten van zijn leeftijd. Buckingham schitterde voor het eerst in het akoestische ‘Big Love’. Wat later pakte de gitarist in het bluesy ‘Oh Well’ uit met een serie magnifieke solo’s om in het daaropvolgend nummer ‘I’m So Afraid’ de zaal gitaargewijs helemaal plat te spelen.
Ondertussen zorgde de vaak onderschatte John McVie voor schitterende baslijnen, zonder daarmee zichzelf in de spotlights te werken. De flamboyante drummer Mick Fleetwood (met kniebroek en ‘collants’ zoals op de hoes van Rumours) genoot zichtbaar van zijn taak en had aan het eind zelfs een ouderwetse drumsolo voor ons in petto.
Helemaal op de achtergrond ontwaarden we nog enkele extra muzikanten op gitaar en aan de piano, alsook een driekoppig vrouwenkoortje maar dit bleef heel het concert door nauwelijks hoorbaar, waardoor we ons afvroegen wat hiervan de meerwaarde kon zijn.
De finale bestond vooreerst uit uit het obligate ‘Go Your Own Way’ (Stevie met hoge hoed, zoals in de befaamde video). In de bissen volgden ‘World Turning’ en het flink meegezongen ‘Don’t Stop’ (eigenlijk een song van Christine McVie, die tijdens dit concert helaas geen enkele keer vernoemd werd). De avond eindigde na twee en een half uur met het melancholische ‘Silver Springs’. Als we dit verkeerdelijk mogen vertalen als ‘zilveren lentes’ zou dit perfect van toepassing kunnen zijn op de hernieuwde muzikale kracht van de zilveren bandleden van Fleetwood Mac (inclusief de blond geverfde) en bij uitbreiding voor het hele concert. (Meer foto's)


dinsdag, oktober 13, 2009

Roland en The Golden Glows brengen gevangenisliedjes met glans

Een goed gevuld avondje Alan Lomax bracht vorige zaterdag heel wat belangstellenden naar de Brusselse muziektempel. AB-opperhoofd Jari Demeulemeester mocht in de Club hoogstpersoonlijk het programma inleiden met zijn lezing ‘Alan Lomax was niet alleen’. Jari, altijd al een bezield verteller geweest, had helaas wat last van enige technische mankementen maar dat zal bij Lomax en de andere muzieketnologen ongetwijfeld ook wel ooit het geval geweest zijn, zodat niemand van zijn toehoorders zich er echt aan stoorde.
Een uurtje later begon in de grote zaal onze Vlaamse blueslegende Roland aan zijn concert. Gewapend met een koppel gitaren mocht deze een eerbetoon brengen aan die andere blueslegende uit de Verenigde Staten, genaamd Lead Belly (doorgaans fout gespeld als Leadbelly). Huddie William Ledbetter een blueslegende noemen is natuurlijk maar de halve waarheid vertellen, ‘folk & blueslegende’ zou correcter zijn. Daarenboven bracht deze man omwille van allerlei criminele feiten (waaronder moord en poging tot moord) verschillende jaren in de staatsgevangenis door. Het was trouwens daar dat vader en zoon Lomax de ‘zingende’ gevangene Lead Belly ontdekte.
Roland kweet zich prima van zijn taak en je merkte meteen dat hij dit met de grootste liefde deed. Niet de nummers klakkeloos naspelen maar er iets persoonlijks van maken, bleek nog maar eens het handelsmerk van de bluesman uit Gent. Het ene nummer vloeide vaak medley-gewijs in het andere over, als viste Roland uit één en dezelfde grote grabbelton waaruit zowel bekende als minder bekende songs naar boven werden gehaald. Klassiekers als ‘Alabama Bound’ en ‘Midnight Special’ verschenen al vroeg in de set en zorgden voor enige herkenning. Het folky ‘Keep Your Hands Off Her’ (ooit door Lead Belly opgenomen samen met Woody Guthrie) kabbelde amusant en speels voorbij. ‘Good Morning Blues’ bleek Roland geheel op het lijf geschreven, alsook het pre-dylaneske ‘We Shall Be Free’.
In de finale pakte Van Campenhout uit met kleppers als ‘Where Did You Sleep Last Night?’ (vooral bekend van de Nirvana Cover) en de evergreen ‘Good Night Irene’ waarin hij graag nog eens zijn kunstjes met ‘den ijzeren vinger’ demonstreerde. Het applaus voor de (veel te)bescheiden Roland, die ook nu weer muzikaal topwerk afleverde, was dan ook helemaal verdiend.
De Antwerpse Golden Glows bestaan uit zanger gitarist Bram Van Moorhem en zangeressen Nel Ponsaers (Alto) en Jyoti Singh (Sopraan). De groep verwierf een zekere bekendheid omwille van de lofbetuigingen van niemand minder dan Stef Kamil Carlens. Dit resulteerde in een goede reputatie en een trouwe schare fans.
Na de pauze mocht dit trio, voor de gelegenheid versterkt met een (dobro) gitarist, een drummer en zes mannelijke vocalisten, enkele door Alan Lomax geregistreerde Prison Songs uit de jaren ’30, ’40 en ’50 van vorige eeuw een nieuw leven in blazen.
In schril contrast met de bajesklanten in streepjespak die af en toe op de achtergrond werden geprojecteerd, zagen de Golden Glows en hun secondanten er op hun paasbest uit. Zes maanden hadden ze aan dit programma gewerkt dat helaas maar één keer voor publiek zou worden uitgevoerd. Dat dit bijzonder jammer is werd al gauw duidelijk.
De grote verdienste van de Golden Glows is dat ze historische Prison Songs als ‘Jumpin’ Judy’ of ‘jilted Black Woman’ serveren in een beklijvende hedendaagse versie, maar tegelijk de ziel van deze bijzondere liederen weten te behouden. Het ensemble slaagde er tevens in voldoende te variëren; bepaalde nummers werden a capella gezongen, andere songs kregen muzikale ondersteuning van drums, dobro en/of gitaar.
Mooi waren ook de verhalen die aan bepaalde Prison Songs vastkleefden, zoals dat van gevangene Bama die een varken eerst dronken voederde om het daarna te kunnen stelen. De ‘Black Betty’ uit de bekende bam-a- lam song bleek zelfs geen schone zwarte madame, maar een metafoor voor een zweep of misschien zelfs een gevangeniskarretje.
Naast ritmische Work Songs zongen de gevangen onder meer ook nog vocale gebeden als ‘No More My Lord’ en ook daarin slaagden The Golden Glows om er iets moois van te maken.
Maar het nummer dat het meest bleef hangen was misschien toch wel het fantastische ‘When I Went To Leland’, dat tot onze vreugde in de bissen werd hernomen. Even later pakte de groep nog uit met het indrukwekkende ‘Go Down Ol’ Hannah’, een smeekbede aan de zon om onder te gaan zodat het gedwongen slavenwerk –eindelijk- zou stoppen. The Golden Glows sloten hun prachtig concert af met een denderende versie van ‘Pick A Bale Of Cotton’.
Absoluut zonde van de eenmaligheid van dit concert.


maandag, oktober 05, 2009

Diana Krall blijft een leading lady in jazz

Ze zag er ravissant uit in die felkleurige jurk op het podium van de statige Henri Le Boeufzaal in het Paleis voor Schone Kunsten (Bozar) en kreeg meteen een daverend applaus van een publiek dat de hoge ticketprijs geen obstakel vond om haar Brusselse concert te mogen meemaken.
Dat Diana Krall één van de leading ladies uit de jazzwereld is leidt geen twijfel. Het succes van haar laatste plaat ‘Quiet Nights’ en de daaraan gekoppelde wereldtournee is daar het ultieme bewijs van. De zangeres/pianiste straalt dan ook niets dan professionaliteit uit, hoewel ze af en toe uit haar rol leek te vallen tijdens de (schijnbaar?) geïmproviseerde bindteksten waarin ze onder meer vertelde over haar dagelijkse beslommeringen, over haar kinderen en over haar man (Elvis Costello, nvdr). Niet meer dan wat small talk eigenlijk, want haar echte ziel legde ze daarmee niet bloot.
Geruggesteund door drummer Karriem Riggins, bassist Ben Wolfe en gitarist Anthony Wilson begon het concert aanvankelijk vrij heftig, alsof het stof nog gauw even van de instrumenten geveegd diende te worden. ‘Let’s Fall In Love’ zorgde al gauw voor een herkenningsmoment, ook al werd de song flink opengetrokken door talrijke solo’s van zowel Diana als van haar prima muzikanten.
De eerste bossanova die Krall uit haar mouw schudde deed zijn naam alle eer aan: ‘So Nice’. Het plagende, wriemelende pianospel van Diana en haar sensuele, hese stem maakte van deze song een pareltje. Meer en meer merkten we dat de Canadese de touwtjes stevig in handen nam. Met een simpele knik gaf ze aan welke van haar muzikanten ruimte kreeg om te soleren, wat meestal daarna met verve gebeurde. Vooral Anthony Wilson oogste vele open doekjes voor zijn virtuose spel op de gitaar.
Het mijmerende ‘I've grown accustomed to your face' droeg Diana op aan haar echtgenoot (al voegde ze er meteen aan toe dat ze later op de avond geen ‘Pump It Up’ zou zingen om de fans van haar man te plezieren).
Met ‘Quiet Nights’, de titelsong van haar nieuwe cd, noteerden we een absoluut hoogtepunt. Zonder de vioolpartijen die op de cd zowat overal opduiken, klonken de bossanova’s in deze ‘naakte’ versies een stuk strakker en wat ons betreft ook sterker. Dat gold wat later op de avond ook voor dé Antonio Jobim klassieker bij uitstek ‘The boy from Ipanema'. Maar eerst volgden nog het gevoelige ‘A Case Of You’ (van die andere Canadese zangeres Joni Mitchell) dat Diana naar de sterren zong, daarna een lichtvoetige versie van ‘Cheek To Cheek’ en verder het bluesy ‘I’m Walking’. ‘Everytime we say goodbye' mocht de avond toepasselijk afsluiten. Het concert (inclusief bissen) had dan net geen negentig minuten geduurd.
Misschien jammer dat Krall geen ‘Walk On By’ serveerde in Brussel en aan haar bindteksten mocht ook nog wat gewerkt worden vonden we achteraf, maar voor de rest niets dan lof voor deze grote dame, die haar status binnen de jazzwereld zeker wel verdient. (Meer foto's)


zondag, september 27, 2009

Eilen Jewell: Een juweeltje van de rootsmuziek

Het nieuwe concertseizoen in het Harense Toogenblik heeft de start niet gemist. Vrijdagavond was het weer genieten in één van de beste clubs van het land.
Met de twee cd’s, ‘Letters From Sinners & Strangers’ en haar laatste ‘Sea Of Tears’ gooide Eilen Jewell hoge ogen bij recensenten en liefhebbers van rootsmuziek en we waren dan ook zeer benieuwd om deze zangeres en haar band, bestaande uit Jason Beck (drums, zang), John Sciascia (staande bas) en Jerry Miller (gitaar), live aan het werk te zien. De rijzende ster Eilen Jewell wordt onder meer vergeleken met Lucinda Williams, Madeleine Peyroux en Gillian Welch.
Geheel in het zwart gekleed doet haar verschijning een beetje denken aan die van een filmpersonage uit de jaren ’40 die wat op de achtergrond acteert, maar gaandeweg meer en meer opvalt. Maar het was meteen duidelijk dat de zangeres zich als een vis in het water voelt op een podium.
"There's only one constant in this old world /And that's 'Nothing ever stays the same'Someday my life will be over/And no one will remember my name” zingt Jewell in het openingslied ‘Rain Roll In’ en dit stukje tekst geeft meteen al aan dat deze artieste in staat is tot enige zelfrelativering. Misschien is het wel daarom dat ze zo natuurlijk en ontspannen overkomt bij haar publiek.
‘Sea Of Tears’, de titeltrack van haar nieuwe plaat, schoot lekker uit de startblokken en werd opgefleurd door het ronduit sublieme gitaarwerk van Jerry Miller die overigens de rest van de avond zou blijven schitteren. Wat een geweldige muzikant is dit! Ronduit indrukwekkend wat voor subtiliteit deze man uit de snaren van zijn Gretsch toverde. Het gaf de muziek net die klank mee die wij associëren met de late 50ties / early 60ties periode. We moesten dan ook vaak denken aan de beginjaren van Johnny Cash en hoorden nu en dan echo’s van Eddie Cochran in Miller’s gitaar.
‘Fading Memory’ had ook zoiets van een wiegeliedje uit lang vervlogen tijden. De strakke ritmesectie van Beck & Sciascia genereerde een country / rockabilly sound tijdens ‘Mess Around’, terwijl de fantastische Loretta Lynn cover ‘The Darkest Day’ refereerde naar de hoogdagen van de Amerikaanse country. Tijdens het bluesy ‘Fine And Mellow’ klonk Jewell zelfs even als Billie Holiday. Net als deze grote dame bezit ze immers een goed gevoel voor timing en frasering.
De in Boston residerende zangeres deelde als introductie van haar song ‘Where They Never Say Your Name’ terloops mee dat deze song door het modemerk Ralph Lauren gebruikt werd in een promovideo. Misschien zou haar dit toch nog enige dollars opleveren… De Rev. Gary Davies gospelsong ‘Twelve Gates To The City’ die Jewell opnam met een andere combo onder de naam The Sacred Shakers, mocht het eerste deel van haar concert feestelijk afsluiten.
Na de pauze gingen Jewell & Co verder op hun elan. ‘Everywhere I Go’, waarin Eilen aan de slag ging met de sambaballen, shakete dat het een lieve lust was. ‘John The Revelator’ (The Sacred Shakers), met drummer Jason Beck on lead vocals en opnieuw schitterend gitaarwerk van Miller zouden we bijna psycho-gospel durven noemen. Jewell daagde het publiek uit enkele verzoeknummers te roepen en de durvers werden op hun wenken bediend. Verder bleef het genieten van ‘I’m Gonna Dress In Black’ (een Them-cover, jawel), ‘Taggin’ Along With Jesus’ en ‘Ain’t Nobody’s Bussiness’.
Maar het hoogtepunt van de avond moest er nog aankomen. De cover van de Johnny Kidd klassieker ‘Shakin’ All Over’, met Jewell opnieuw aan de sambaballen, zorgde voor warme en koude rillingen (in het bijzonder bij ondergetekende). Er volgden nog enkele bisnummers maar wij waren al lang verkocht. Een juweeltje van een concert! (Meer foto's)


zaterdag, september 26, 2009

Chuck Prophet speelt gitaar opnieuw als troef uit

Sinds het uitbrengen van zijn allereerste soloplaat ‘Brother Aldo’ (1990) zagen wij Chuck Prophet met de regelmaat van de klok live aan het werk en, het moet gezegd, nooit noteerden we één slecht optreden van de man. Ook zijn laatste doortocht in de AB Club, in het gezelschap van zijn vaste band The Mission Express, zullen wij ons nog lang blijven herinneren. Alleen de opkomst voor dit concert (een kleine 100tal aanwezigen) viel misschien een beetje tegen, maar zelfs daar was een reden voor. De vaste fans uit de Lage Landen stonden dit jaar verdeeld tussen Antwerpen, Brussel en diverse optredens in Nederland.
Chuck begon met een korte Stonesachtige gitaarintro en barstte daarna los met ‘Sonny Liston’s Blues’, een ode aan de Amerikaanse zwaargewicht bokser uit de jaren ’60 die veel te vroeg aan zijn einde kwam. Het viel meteen op dat Chuck, meer dan hij de laatste jaren gewend was, extra aandacht schonk aan zijn gitaar. Doorheen het concert liet Prophet zijn stratocaster vaak voor zichzelf spreken en dat deed hij met de klasse van een echte gitaargod. ‘I Bow Down For Every Woman I See’ zat in hetzelfde bluesbootje als Dylan’s ‘Obviously Five Believers’, hetgeen wij uiteraard luidkeels konden smaken. Na ‘Always A Friend’ maakte Chuck het even stil en verzocht de mensen die ‘illegale’ opnames maakten van zijn concert plechtig … vooral ook zijn laatste nieuwe song te registreren. Alvast niet de laatste keer dat Chuck zijn publiek op het verkeerde been zou zetten. Maar tussendoor bleef hij briljant musiceren. Zo sneed de zanger-gitarist dwars door het hart met de aan Elvis opgedragen ballad ‘Would You Love Me’ en scoorde hij wat later met ‘Doubter Out Of Jesus’ een andere absolute voltreffer. Chuck bleek hierin niet schuw van allerlei gitaareffecten en slaagde er later op de avond zelfs ei zo na in om één van zijn versterkers op te blazen. De titelsong van de in Mexico opgenomen nieuwe cd ‘Let Freedom Ring’ transformeerde de Club even in een jubelende feesttent.
Naast Prophet bleken ook de overige bandleden in bloedvorm te verkeren. Zo pakte vaste gitarist James Deprado tijdens ‘For You’ en ‘Holding On’ uit met mooie solo’s op de Twin (of double-neck) gitaar (het was van The Eagles geleden dat we zulk een instrument nog eens op een podium zagen). Vrouwlief Stephanie Finch mocht, in duet met haar man, vocaal uitblinken in de Seals/Fritts-klassieker ‘We Had It All’, een nummer ooit nog mooi opgenomen door Green On Red.
Na een akoestisch intermezzo met onder meer ‘Summertime Thing’ en een sneer naar de Texanen (die volgens de zanger zelfs wafels serveren in de vorm van hun Staat), haalde Prophet fel uit met een briljante versie van ‘Automatic Blues’. Het droefgeestige ‘Barely Exist’, geïnspireerd door de Mexicanen die illegaal in de Verenigde Staten verblijven, was doordrongen van empathie voor deze bevolkingsgroep.
Song na song bouwde Prophet zijn set verder op naar de ultieme climax. Eerst ontpopte het indrukwekkende ‘A Woman’s Voice’ zich langzaam tot een soort van psychologische thriller. ‘You Did’ kreeg een fijne Neil Young-achtige outro mee en het uptempo ‘Good Time Crowd’ sloot de set feestelijk af. Na de 90 minuten reguliere speeltijd volgde er nog wat extra time in de vorm van enkele gedreven bisnummers. Maar de wedstrijd was al lang gewonnen. Chuck Prophet mag wat ons betreft naar de Champions League of Rock'n'Roll. (Meer foto's)


zondag, september 20, 2009

Daniel Lanois schittert in de AB

Daniel Lanois zorgde vorige week voor een magisch concert in de Ancienne Belgique. De meeste songs die hij speelde waren nagelnieuw en zo leek het net alsof je de muziek ter plekke hoorde geboren worden. Om zoiets te kunnen moet je over topmuzikanten beschikken. Meesterdrummer Brian Blade is zo iemand. Ook de talentvolle Trixie Whitley mocht meedoen, maar het is duidelijk dat zij nog een flinke weg te gaan heeft om even sterk te worden. De prachtige single 'I'd Rather Go Blind' kwam live iets minder goed uit de verf, maar dit werd ruimschoots goedgemaakt door nieuwe nummers als 'Silverado' en 'Nomad knows'. Nu en dan greep Lanois ook nog terug naar ouder werk als 'Jolie Louise' en 'The Maker'. Wat de man op één avond allemaal uit zijn gitaar haalde, was ronduit betoverend. Oud of nieuw werk: het speelplezier droop er steeds van af. (Meer foto's)