donderdag, december 30, 2010

Eindejaarslijstjes

CD TOP 10

1. FANFARLO - RESERVOIR
2. LEAVE YOUR SLEEP - NATHALIE MERCHANT
3. ROBERT PLANT - BAND OF JOY
4. ELVIS COSTELLO - NATIONAL RANSON
5. ED HARCOURT - LUSTRE
6. LOCAL NATIVES - GORILLA MANOR
7. FISTFUL OF MERCY - AS I CALL YOU DOWN
8. THE CHIEFTAINS & RY COODER - SAN PATRICIO
9. MARC ALMOND - VARIETE
10. JERRY LEE LEWIS - MEAN OLD MAN

Buiten categorie: SIGNATURE BOX - JOHN LENNON

TOP 10 - CONCERTEN

1. PAUL McCARTNEY - RDS ARENA (DUBLIN)
2. FANFARLO - AB CLUB (BRUSSEL)
3. LEONARD COHEN - SINT-PIETERSPLEIN (GENT)
4. NATHALIE MERCHANT - AB (BRUSSEL)
5. U2 - STADIO OLYMPICO (TORINO)
6. MELODY GARDOT - RIVIERENHOF (DEURNE)
7. NORAH JONES - VORST NATIONAAL (BRUSSEL)
8. KASABIAN - AB (BRUSSEL)
9. WILLIE NELSON - AB (BRUSSEL)
10. STEVE MILLER - LOTTO ARENA (ANTWERPEN)

zaterdag, december 25, 2010

Myrna Smith (The Sweet Inspirations) overleden

Gisteren, op kerstavond, is Myrna Smith in een ziekenhuis in Los Angeles overleden. Ze had reeds enige tijd last van een nierkwaal. Smith werd 69 jaar oud.

De uit New Jersey afkomstige Myrna Smith was samen met Cissy Houston en Estelle Brown lid van 'The Sweet Inspirations'. In 1967 scoorden ze een wereldhit met het gelijknamige nummer. Als een subliem soulvol backup trio werkte de groep samen met onder meer Wilson Picket, Aretha Franklin, Solomon Burke, Van Morrison en Jimi Hendrix. Maar 'The Sweets' zullen vooral in het geheugen blijven als de vrouwelijke achtergrondzangeressen van Elvis Presley, die vanaf 1969 tot aan zijn vroegtijdige dood steeds aan de zijde stonden van The King. Dit was niet alleen het geval tijdens meer de dan duizend concerten die ze samen deden maar ook tijdens verschillende opnamesessie waren The Sweets telkens van de partij. Luister bijvoorbeeld eens naar het uitstekende album (en dvd) 'Elvis: That's the Way It Is' en je wordt gegrepen door de fantastische backings die The Sweet Inspirations hierop voorzien.

Elvis Presley had een speciale vriendschappelijke band met Myrna die hij niet alleen verwende met juwelen maar daarenboven zelfs een lichtblauwe Cadillac ten geschenke gaf. Na het overlijden van Elvis toerde de groep onder meer nog met The Bee Gees tijdens hun Amerikaanse tournee. Daarna werd het stil rond The Sweet Inspirations tot ze in 1994 uit hun as herrezen en terug gingen optreden met het nieuwe groeplid Portia Griffin (ter vervanging van Cissy Houston).

Het laatste decennium was Myrna Smith met The Sweet Inpirations vaak in Europa te bewonderen. Meestal traden ze samen op met de TCB Band (Elvis' vaste begeleidingsgroep olv James Burton). Bovenstaande foto maakte ik in 2006 in Eindhoven, tijdens een handtekeningsessie na hun concert. Op zo'n momenten was Myrna de vriendelijkheid zelve. We zullen haar missen. (Zie ook: video)

Shake

donderdag, december 16, 2010

Masterclass met James Burton volstrekt uniek

"Play it, James" was het afgesproken sein waarop leadgitarist James Burton, tijdens de meer dan duizend concerten die hij aan de zijde van Elvis Presley stond, wist uit te pakken met één van zijn sublieme gitaarsolo's. De naam van deze supergitarist zal dan ook ten allen tijde verbonden blijven met The King of Rock'n'Roll. Maar Burton was en is nog steeds veel meer dan enkel de sidekick van Presley. Meer zelfs, we kunnen ons niet meteen een andere gitarist voor de geest halen die met zovele grootheden uit de muziekgeschiedenis heeft samengespeeld en/of opgenomen. Ricky Nelson, Johnny Cash, Frank Sinatra, Gram Parsons, Roy Orbison, Bruce Springsteen, Emmylou Harris, Jerry Lee Lewis, John Denver, The Monkees, Elvis Costello, Joni Mitchell, Merle Haggard, ... het zijn maar enkele indrukwekkende namen van een haast eindeloze lijst artiesten waarmee James Burton ooit samenwerkte.

De "masterclass" georganiseerd door het Antwerpse Toneelhuis waarin James Burton een avond lang centraal stond dekte qua concept en benaming dan ook volledig de lading. Als opening van de reeks 'Soirées Olympique' markeerde deze eerste avond meteen het eerste schot in de roos en maakt het ons benieuwd naar het verdere verloop van deze ontmoetingen met muzikale inslag.

Het eerste deel van de avond bestond uit een gezellig onderonsje tussen James Burton, journalist Marc Didden, zanger-gitarist Geert Hellings (Stanton) en acteur Ben Segers. Alleen Didden had zijn gitaar niet meegebracht, logisch want hij is in tegenstaande tot de andere drie immers zelf geen gitarist. De vragenronde, geleid door Didden, leverde het publiek niet alleen meer info op over de lange carrière van Mister Burton, maar bracht ons tevens enig inzicht in 's man fameuze chicken pickin' gitaartechniek. Eén en ander werd door de meester zelve ter plekke gedemonstreerd. Verbazend om te zien hoe James de ene na de andere klassieke solo met het grootste gemak uit zijn mouw schudde, terwijl dezelfde gitaarpartijen voor de aanwezige 'leerling'gitaristen net een vrij zware opgave bleken te zijn. Op Didden's vraag wat we nu eigenlijk moesten denken over Gibson en Fender gitaren antwoordde James Burton laconiek dat dit enkel betekende dat er nu eenmaal 'lots of guitars' in de wereld zijn.

Na de pauze volgde het eigenlijke concert van Burton met zijn Hollandse gelegenheidsband Mufkin Tass. Met deze groep trok de legendarische gitarist in het voorjaar door Nederland wat ervoor zorgde dat één en ander reeds voldoende ingespeeld was. Mufkin Tass, dat dit jaar het debuutalbum 'Live And Love Between Passion And Persistence' uitbracht, kunnen we misschien het best omschrijven als een rootsy country-neder-pop-rock septet onder leiding van de tweelingsbroertjes Mark en Ralph Schraven. Stel je Tom Petty en zijn heartbreakers voor onder een vette laag kaasfondue en je komt aardig in de buurt van wat je je hierbij moet voorstellen.

De playlist bestond uit bekende en minder bekende songs waarop James Burton ooit zijn stempel had gedrukt. Een logisch startmoment was dan ook 'Suzie Q', de Dale Hawkins song die vooral bekendheid geniet omwille van de onsterfelijke catchy gitaarriff bedacht door -jawel- James Burton zelve. Nog zo'n onweerstaanbare klassieker waarin James het mooie weer maakte luistert naar de naam 'Hello, Mary Lou' en kennen we vooral van de Ricky Nelson versie uit 1961. De vertolking van deze hits door Mufkin Tass bood gelukkig voldoende ruimte voor Burton om uit te pakken met meesterlijk gitaarwerk op zijn vlammende signature Fender Telecaster.

In het minder bekende 'Brand New Dance', origineel een duet tussen June Carter en Johnny Cash, bleef James bijdrage vrij beperkt. Dat was ook het geval bij 'Love Hurts' in de versie van Emmylou Harris. Neen, dan klonk 'Mama Tried' (Merle Haggard) een stuk spannender, net als het van Elvis' bekende 'Burning Love', een song die Burton honderden keren moet gespeeld hebben.

Verder hoogtepunten waren onder meer het huppelende 'Ooh, Las Vegas' (Emmylou H.), het crountryvolle 'Boulder to Birmingham' (Gram Parsons), de oer-rocker 'Johnny B Goode' en het nagespeelde verschroeiende gitaarduel in 'Pretty Woman' in de versie van het 'Black & White Night' live video/album van Roy Orbison.

Na nog meer dan een handvol klassiekers en met Jerry Lee Lewis' 'Whole Lotta Shakin' Goin' On' aan de staart van deze indrukwekkende reeks wereldklassiekers, groette de 71-jarige gitaarheld minzaam als altijd samen met de zeven leden van Mufkin Tass het enthousiaste publiek. Van geen enkele 'masterclass' - in welke discipline dan ook - hebben we meer genoten als van deze.

James Burton heeft nu reeds, bij leven en welzijn, een standbeeld in zijn woonplaats Shreveport, Louisiana en dat mag niet verwonderlijk heten. Deze 'Master of the Telecaster' blijft volstrekt uniek en zal zonder enige twijfel de muziekgeschiedenis ingaan als één van de meest invloedrijke gitaristen van de twintigste eeuw. Een avond met een muzikant van dit niveau mogen meemaken blijft telkens weer onuitwisbaar. Thanks a lot, James!
(Meer foto's)

maandag, december 06, 2010

Herbie Hancock: goede bedoelingen, beperkte fun

Wie het werk van Herbie Hancock de laatste 15 jaar een beetje gevolgd heeft kan niet anders dan vaststellen dat dit icoon van de jazz in deze periode van het één project naar het andere laveerde. Zijn meest recente album 'The Imagine Project' kwam hij afgelopen zaterdag in Bozar voorstellen.

De boodschap die Hancock via deze plaat en de daarbij behorende tournee de wereld instuurt is dat een respectvolle samenwerking van mensen van verschillende rassen, culturen en nationaliteiten de wereld in de 21ste eeuw beter kan maken. Zelf geeft Hancock daarbij graag het voorbeeld door binnen dit project muzikaal uit verschillende (wereld)vaatjes te tappen. Hij maakt daarbij gebruik van een groot aantal muzikanten uit alle werelddelen. De opnames van dit album werden daarenboven in zeven verschillende landen gemaakt.

In Bozar hield Herbie het echter bij een quartet aangevuld door de knappe zangeres Kristina Train. Nu en dan vulde hij deze beperkte bezetting aan door wat 'extra muzikanten' uit zijn hard disk op te rakelen. "Dit is toch de 21ste eeuw, nietwaar?" maakte Hancock zich er wat goedkoop vanaf.

Dat een mooie achterliggende boodschap niet altijd garant staat voor een sterk optreden hebben al ontelbare concertgangers aan den lijve ondervonden. En ook hier weer misten de covers van 'Imagine', 'Don't Give Up', 'The Times They Are A- Changin'', allen gezongen door Kristina Train de kracht van het origineel om echt te kunnen bekoren. Train is weliswaar een goede zangeres (genre Norah Jones) maar echt doorleefd kon je haar vertolking niet noemen. Toetsenman en zanger Greg Philliganes zorgde voor een aanvaardbare versie van 'A Change Is Gonna Come', maar meer ook niet. Op deze momenten bleef Hancock's rol eerder beperkt tot begeleider en dat was gezien de status van dit heerschap net iets te min.

Neen, Hancock is pas écht goed als hij, hetzij als begenadigd pianist, hetzij als uitvoerder van zijn typische mengelmoes van jazz, pop, elektrofunk en rock, voluit improviserend kan uitpakken. Flarden 'Watermelon Man', 'Canteloupe Island', en 'Chameleon' maakten het concert alsnog de moeite waard. En als Herbie tenslotte de formidabele eighties klassieker 'Rockit' uit zijn synth perste, ging het tamelijk statische Bozar publiek in extremis toch nog enige momenten flink uit het dak. Imagine all the people...
(Meer foto's)

Shake

donderdag, november 25, 2010

Crossing Border 2010: een vat vol ontdekkingen

(Klik om te vergroten)

Voor het tweede jaar op rij vond in de Antwerpse Arenbergschouwburg de slotdag van Crossing Border plaats, een bijzonder interessant cultureel festival dat overgewaaid komt uit het Nederlandse Den Haag en gericht is op een mengvorm van muziek, literatuur en film. Het eerste wat dit jaar opviel is dat de aanwezigheid ietsje lager was dan het voorbije jaar hetgeen ervoor zorgde dat je voor één en ander minder lang moest aanschuiven. Een verademing dus maar toch waren bij momenten de kleinere zalen (zoals The Hideout) ook nu weer overvol en kon je maar beter goed op tijd zijn om het concert van je keuze in ideale omstandigheden mee te maken. Kiezen bleek trouwens niet makkelijk want ook dit jaar stond er allerlei moois geprogrammeerd en aangezien er toch redelijk wat overlap in de programmatie hing kon je maar beter vooraf een wenselijk parcours uittekenen. Dit had onvermijdelijk tot gevolg dat we artiesten en groepen als Jesse Malin, Timber Timbre en Spoon helaas moesten missen, maar in de plaats daarvan kregen we enkele schitterende andere, soms heel verrassende, optredens te zien, waarover akte.

Na de poëziekunsten van het fraai ogend dichteresje Lies van Gasse stond in de grote zaal de groep Villagers op het programma. Zanger Conor O'Brien, gehuld in gestreept pulloverke en begeleid door een vierkoppige band, deed persoonlijk verslag over de slechtheid van de mens door middel van liedjes uit zijn debuutplaat 'Becoming A Jackal'. Het vroeg in de set gespeelde 'The Meaning Of A Ritual' klonk alvast bijzonder intens en lyrics als "My love is selfish/ And it cares not who it hurts/ It will cut you out to satisfy its thirst" lieten geen mens onberoerd. Helaas zagen we maar een kort stukje van dit optreden omdat we ons voorgenomen hadden om zeker geen seconde van het concert van BP Fallon & Band te missen dat deels samenviel met Villagers.

DJ, schrijver, zanger, manager, radiomaker, fotograaf en inspirator BP Fallon is dan ook een figuur die tot de verbeelding spreekt. De man werkte ooit nog voor The Beatles bij Apple (waar hij volgens de legende o.m. de wiet testte van McCartney). Later leverde Fallon hand- en spandiensten voor legendarische groepen als T.Rex, Led Zeppelin, Thin Lizzy en U2. In een productie van niemand minder dan Jack White bracht Fallon recent een 7" album ('Fame #9') uit waarin hij het spoken word genre opnieuw leven inblaast. In Antwerpen kregen de woorden van BP muzikale ondersteuning van een ijzersterke band waarin Nigel Harrison (Ex-Blondie) op bas en Aaron Lee Tasjan (The New York Dolls) op elektrische gitaar het mooie weer maakten. Vooraan in de set hoorden we het fantastische 'I Believe In Elvis Presley', een soort geloofsbelijdenis van de man zelve en mogelijk misschien van een hele generatie. 'Time Will Not Go On Forever' bezweerde Fallon ons even later op Warhol-achtige wijze en hij deed dit op de tonen van wat we zouden durven noemen een huppelende Johnny Cash gitaar. Tijdens 'The War To Fight For Love' liet gitarist Tasjan het beste van zijn kunnen horen en een nummer met een retorische titel als 'Does Anyone Care What Anyone Says In Rock'n'Roll?' ontpopte zich tot een vrolijke meestamper. Afsluiten deed BP Fallon & Band met een nummer opgedragen aan Van Morrison en zijn mythische Gloria, waarna wij het aangename gevoel kregen dat Prof Fallon al die tijd een stukje muziekgeschiedenis had gedoceerd. Schitterend.

Wat later staken we ons licht op bij de Smoke Fairies (de groepsnaam verwijst naar de ochtendnevel op de Britse eilanden) waarin het vrouwelijke duo Jessica Davies en Katherine Blamire (de blonde en de bruine) alle aandacht naar zich wisten toe te trekken. De glasheldere samenzang van beide vrouwen betoverde ons meteen. Zelden hoor je twee stemmen die beter bij elkaar passen en wanneer deze zich gezamenlijk storten op een collectie beklijvende folkmelodieën is het helemaal raak. De Fairies klinken soms wat etherisch maar zelden zoals Enya. Stel je bij hen eerder de sfeer van The Cowboy Junkies voor, met een dubbele Margot Timmens aan de microfoon en weinig tempowisselingen. Bijzonder is wel het gitaarspel van deze dames waarin zowel folk- als bluesinvloeden te bemerken zijn. De toon van de lyrics zouden we ook eerder als donker omschrijven. Songs als het bezwerende 'Erie Lackawanna' en afsluiter 'Hotel Room' overtuigden ten zeerste en dienen gerekend te worden tot de hoogtepunten van een gesmaakte set.

Een flink stuk van het concert van Low, de groep afkomstig uit het mythische Duluth in Minnesota, pikten we graag mee. Het aangrijpende 'Silver Rider', onlangs nog gecoverd door niemand minder dan Robert Plant, bleek achteraf misschien wel het sterkste nummer. Alan Sparhawk en zijn vrouw Mimi Parker aangevuld met bassist Steven Harrington putten zowel uit ouder werk (de recentste cd dateert van 2007) als uit nieuwe songs van een nog te verschijnen album. De gruizige gitaar van de Sparhawk en de koele paukenslagen van Parker hielden ons een tijdlang in de greep maar na een tijd ebde te spanning toch enigszins weg.

Na een korte maar boeiende set van de virtuoze contrabassist Joris Vanvinckenroye (alias Basta!) en de gesmaakte humor van de Nederlandse absurdist Ronald Snijders was het de beurt aan de Amerikaanse groep Local Natives om de grote zaal (lees: La Zona Rosa) onder stoom te zetten. Veel belangstelling overigens voor deze band uit L.A. en dit konden we achteraf best begrijpen. Als een bende losgeslagen wilden (cfr groepsnaam!) wierp dit heerlijke quintet zich geëngageerd in de strijd en ze wisten aldus snel alle harten voor zich te winnen. Local Natives klinkt vooral eigentijds. De vergelijkingen met Fleet Foxes, Grizzly Bear, Mumford & Sons, Vampire Weekend en op nationaal vlak zelfs enigszins met School Is Cool hangen meteen overal in de lucht. Maar desalniettemin is deze band vooral zichzelf. Hun geheim? Opzwepende drums, beklijvende meerstemmige zangpartijen, heldere gitaren en pakkende folkpop songs. Nummers als 'Wide Eyes' en de fijne Talking Heads cover 'Warning Sign' bezaten genoeg overtuigingskracht om ons meteen hun debuutplaat 'Gorilla Manor' te doen aanschaffen, bij deze ook warm aanbevolen.

De vederlichte bubblegum-pop van Twin Sister kon ons daarna nog amper bekoren. Akkoord, het lieftallige zangeresje, gehuld in een beige lange wollen trui, oogde charmant en deed ons een beetje denken aan iemand als Lio, maar dan in het blond. De met synths en elektronica opgesmukte muziek deed ons echter snel afhaken.

Als slotconcert kozen we voor Ed Harcourt in de veel te kleine Hideout zaal. Deze bijzondere Engelse artiest timmert al tien jaar aan de weg en heeft reeds een zestal albums op zijn actief. Vaak hoor je vergelijkingen met Tom Waits over hem de ronde doen en dat kunnen wij slechts gedeeltelijk beamen. Harcourt speelt inderdaad net als Waits op sommige nummers piano en durft ook wel eens alle registers open te gooien maar zelf vinden we een vergelijking met een figuur als John Cale (ten tijde van 'Paris 1919') meer gepast. Maar het dient gezegd, Ed Harcourt is vooral ook helemaal zichzelf. Voor elke song kiest hij het passende instrumentarium en op het podium doet hij dat overigens allemaal zalig in zijn eentje. De ene keer speelt hij piano, de andere keer kiest hij voor gitaar. Af en toe maakt hij gebruik van een machine die loops opneemt en deze reproduceert. Drums, percussie, zelfs vleugjes trombone worden op die manier opgenomen en terug afgespeeld. Dit duivel-doet-al-principe geeft Harcourt extra overtuigingskracht en op die manier blijft hij song na song boeien. Uit zijn laatste uitstekende plaat 'Lustre' kregen we onder meer prachtige versies voorgeschoteld van het intieme 'Killed By The Morning Sun', het overdonderende 'Fears of a Father' en het spannende 'Heart of a Wolf', waarin we als publiek naar hartenlust mocht meehuilen met de wolven. Het gejank dat dit opleverde klonk zo aandoenlijk dat we in geen geval in roodkapje's schoenen hadden willen staan. Whoooooooow!

Na deze bijzonder geslaagde editie van Crossing Border houden we onze agenda alvast scherp voor november 2011. (Meer foto's)

Shake

zondag, november 21, 2010

Jerry Lee Lewis houdt het kort maar krachtig

Rock'n'Roll monument Jerry Lee Lewis was de laatste jaren meermaals in ons land aan het werk te zien. Het laatste geplande optreden op Blues Peer werd om gezondheidsredenen echter afgelast en mogelijk zou dit een verklaring kunnen zijn waarom het balkon van de Antwerpse Elisabethzaal afgelopen zaterdag helemaal leeg bleef. Zelf op de Parterre en de Corbeille bleven er nog lege plekken over. De afwezigen begingen hiermee echter een historische vergissing want The Killer speelde in Antwerpen één van zijn beste concerten van de huidige tour.

Niemand minder dan Linda Gail Lewis, de twaalf jaar jongere 'little sister' had de eer de avond te openen. Deze artieste, die net als Jerry Lee als een bezetene tekeer gaat op de piano en daarenboven gezegend is met een heerlijk southern accent in haar stem, kreeg muzikale steun van een fijn groepje waaronder backing vocaliste Annie Marie Dolan, alias de dochter van de zangeres en dus het volle nichtje van Jerry Lee. We hoorden veelal rock'n' roll- en countryklassiekers die grote broer ook al eens opnam. Met songs als 'Rip It Up', 'Let's Have A Party', 'Good Golly, Miss Molly', 'Jambalaya (On The Bayou) en 'Blue Suede Shoes' neem je natuurlijk weinig risico maar in dit geval voelde je dat de inmiddels al 63-jarige zangeres de geheimen van deze songs, samen met haar big brother, al een leven lang met zich meedroeg en dit gaf dit optreden toch een zekere authenticiteit. Het publiek kon dit duidelijk appreciëren. Linda Gail Lewis mag dan misschien niet meer ogen als een moordgriet, het killer instinct zit haar duidelijk in de genen. Zo schrikt ze er niet voor terug om, naar het klassieke voorbeeld van haar fameuze broer, de pianotoetsen met haar hiel te beroeren.

Een dame uit het publiek die gedreven door innerlijk enthousiasme spontaan aan het dansen sloeg werd tot tweemaal toe door zaalwachten manu militari de zaal uitgezet. Tijdens de pauze deden twee politieagenten deze ongelukkige vrouw uitgeleide. Wij dachten dat een grootstad als Antwerpen andere (criminele) katten te geselen had. Helaas moesten we vaststellen dat dansen tijdens een rock'n'roll concert hier schijnbaar nog tot de misdaden der burgers behoort. Een smet op een overigens prima georganiseerd concert.

Zoals gebruikelijk startte het tweede deel met enkele nummers gebracht door Jerry Lee's band, bestaande uit een verzameling ouwe landrotten onder leiding van de immer vriendelijke gitarist Kenny Lovelace. De groep spartelde zich door nummers als 'I've Got A Woman', 'Kansas City' en 'Wolly Bully' maar het bleef wachten tot de komst van The Killer zelf voor de vlam echt in de pan sloeg.

De inmiddels vijfenzeventig jarige zanger, perfect gecoiffeerd en losjes in het maatpak, begon ietwat aarzelend met rammelende versie van 'Down The Line', een stokoud nummer dat dit rock'n'roll icoon ooit nog in de beroemde Sun Studio's opnam. Het al even antieke 'You Win Again' zat meteen goed en dat was onder meer te danken aan de schitterende pianoriedels die The Killer ten beste gaf. Heel de avond zou Lewis overigens briljant wezen op z'n instrument en het leek bij momenten zelfs dat zijn vingers twintig jaar jonger waren geworden sinds zijn laatste doortocht in de Benelux. Daarenboven gaf de meester blijk van vocale kracht tijdens nummers als 'Before The Night Is Over' en 'Don´t Put No Headstone On My Grave'. Akkoord, goede ouwe Jerry Lee durft nu en dan wel eens wat te murmelen in de microfoon maar dat doet Bob Dylan al zijn leven lang. Het is de kracht en de passie (en dit nog na zovele jaren) die je bij het nekvel grijpt. Country, Blues, Boogie Woogie en pure rock'n'roll vermengden zich tot een ontvlambare cocktail ouderwets muziekplezier. 'Rockin´ My Live Away' rockte als de beesten wat onder meer ook het geval was voor 'Roll Over Beethoven'. Hoewel beide laatsgenoemde songs in herwerkte versie te vinden zijn op 's mans meesterlijk nieuwe album 'Mean Old Man' was het toch betreurenswaardig dat Jerry Lee geen andere nummers uit deze plaat speelde. Maar dit kon echter de pret niet deren. Zeker niet wanneer The Killer uitpakte met twee van zijn signature songs, met name het nog steeds onweerstaanbare 'Great Balls Of Fire' en de sublieme afsluiter 'Whole Lotta Shakin´ Goin´ On', waarbij hij als vanouds flink natrapte tegen zijn pianokruk.

Niet langer dan vijftig minuten had The Last Man Standing op het Antwerpse podium achter zijn piano gezeten, waarna hij rechtopstaand plechtig het publiek dankte en voorgoed in de coulissen verdween. Het zullen echter vijftig muzikale minuten zijn die wij ons nog lang zullen herinneren.

Achteraf spraken we enkele mensen die Jerry Lee van stad tot stad volgen en deze bevestigden de unieke kwaliteit van het Antwerpse optreden. Het doet ons nu al dromen van een spoedige terugkeer naar onze contreien. Gezien de hoge leeftijd van deze artiest is dit echter niet evident. (Meer foto's)

Shake

zaterdag, november 20, 2010

Deep Purple in het land der Walen

Begin november trokken wij blijgemutst naar de evenementenhal WEX, te Marche-en-Famenne om de (min of mee jaarlijkse) doortocht van Deep Purple mee te maken. Om een beetje communautair de kerk in het midden te houden speelde de groep dit keer in het land der Walen, terwijl vorig jaar Antwerpen nog aan de beurt was.
De laatste maanden gonsde het op het internet van berichten dat dit de laatste tour zou worden van de purperen bende maar gelukkig werd deze kwakkel via de officiële website ontkend.

Tijdens het voorprogramma kreeg het jonge groepje Puggy zijn kans en greep deze dan ook met beide handen aan. Deze sympathieke band speelt de volgende maanden een paar keer in de AB te Brussel en zal daar ongetwijfeld brokken maken.

Weinig verrassingen sierden de setlist van Deep Purple maar niettegenstaande genoten we des te meer van briljante versies van onder meer "Things I Never Said', "Maybe I'm A Leo", "Strange Kind Of Woman", "Lazy" en "Fireball". Het schijnbare gemak waarmee supergitarist Steve Morse soleert blijft absoluut verbazend. Ian Gillan mag dan wel net zoals leeftijdsgenoot Neil Young dit jaar 65 kaarsjes uitblazen maar hij zingt, krijst en gilt nog steeds indrukwekkend. Daarnaast vertoont de ritmesectie van Ian Paice (drums) en Roger Glover (bas) weinig barsten en ook keyboardspeler Don Airey blijkt nog steeds een wizzard op zijn instrument.

Na de voorspelbare bisnummers "Hush" en "Black Night" doken wij tevreden de Waalse bossen in met de wetenschap dat de ouwe landrotten van Deep Purple nog springlevend zijn. We know It's only some old fashioned hard rock, but we like it. Oh, yes we do! (Meer foto's)

Shake

donderdag, november 11, 2010

Sinner's Day: voor de overlevenden

Nooit een festival gezien waar één generatie zo sterk het publiek kleurde als op Sinner's Day in Hasselt. Zo'n tien duizend in het zwart geklede mannen en vrouwen, bijna allen veertigers, haalden hun hartje op bij de muziek van de de jaren '80. Op het podium gaven enkele helden van de No Future Generation het beste van zichzelf. Enkele artiesten deden dit voor het eerst sinds lange tijd en stelden vast dat de belangstelling groot was. De Britse oerpunkers van UK Subs zagen er wat pathetisch uit, maar zanger Charlie Harper wist er wel nog een stevig 'New York State Police' uit te persen. Veel interessanter was echter het optreden dat Jah Wobble in de Club bracht. De voormalige PIL-bassist die bekend staat om zijn diepe, door merg en been dreunende basgrooves, bracht een zeer gevarieerd concert met uitstapjes naar reggae, dub en Oosterse muziek. Twee van zijn muzikanten waren Japanners, getooid in traditionele klederdracht. En toegegeven die festival kon toch wat (meer) kleur gebruiken...

Daarna zouden we even ons licht opsteken bij Marky Ramones Blitzkrieg, het hobbygroepje van de voormalige Ramones drummer, maar moesten al snel vaststellen dat dit slechts het niveau haalde van een middelmatige coverband. Neen, dan liever 'Arbeid Adelt!', begin jaren '80 één van de meest avant garde groepen uit het Nederlandstalige taalgebied, die in originele bezetting hun muzikale erfgoed wisten op te poetsen tot iets wat ook vandaag nog speciaal klonk. Toegegeven, het vroeg om enige mentale inspanning om in Marcel Vanthilt niet te bekende TV-presentator te herkennen maar deze als de enige echte, uit zijn as herrezen, Max Alexander (Vanthilt's pseudoniem in AA!) te beschouwen. Maar eenmaal deze klip genomen, klonken de oude nummers uit 'Jonge Helden' (1983) best spannend. We onthouden vooral pakkende versies van 'Capita Selecta' en 'De Man Die Alles Noteert' als hoogtepunten. Daarna kon het nieuwe nummer 'Half Vijf' en het onverslijtbare 'De Dag Dat Het Zonlicht Niet Meer Scheen' ons zeker ook nog bekoren.

De Belgische punkgroep The Kids, met de onvermoeibare Ludo Mariman als opperhoofd, gaf een sterke set weg waarin topnummers 'Fascist Cops' en 'There Will Be No Next Time' niet ontbraken. Daarna was het de beurt aan de meer gepolijste eightiesband 'Heaven 17'. Zanger Glenn Gregory deed zijn uiterste best om het publiek te charmeren maar slaagde daar slechts in toen hij zijn megahit 'Temptation' in de strijd wierp. Het optreden van 'The Fall' zagen we maar gedeeltelijk maar toch stelten we vast dat deze groep het winst water bij de wijn schonk. Ze klonken nog even compromisloos dan weleer en dit bedoelen we als een compliment.

Heel erg leuk was het concert van Marc Almond, de voormalige zanger van Soft Cell, die zich als een theatrale supernicht over het podium bewoog. Eindelijk ook nog eens iemand die hedendaags materiaal, afkomstig uit zijn schitterend splinternieuw album 'Variety', kon voorstellen. Daarin waren de New Wave invloeden slechts weinig voelbaar maar de folky, varieté-achtige muziek klonk als een verademing. The Selecter, jarenlang op non-actief gezet, herrees in Hasselt als een fantastische ska-band. Het originele zangduo Pauline Black en Arthur "Gaps" Hendrickson zweepten het publiek op dat zich al dansend totaal wist uit te leven op hitjes als 'Missing Words' en vooral het onverslijtbare 'On My Radio'.

Even later ontgoochelde barbie from hell Nina Hagen door vooral Engelse covers te brengen van nummers als 'Riders On The Storm' en erger nog 'One of Us' waaruit alle kracht verdwenen was. The Psychedelic Furs moesten we helaas missen om op tijd te zijn voor hoofdact Echo & The Bunnymen. De Liverpudlians maakten hun positie als hoofdact waar door de combinatie van sterke versies van hun oude hits ('The Cutter', 'Bring On The Dancing Horse', 'Lips Like Sugar', The Killing Moon') en nieuwe nummers als het ijzersterke 'Think I Need It Too'.

Al bij al beleefden we vele leuke momenten op 'Sinner's Day' en kijken we nu al uit naar de Line Up voor de volgende editie.

woensdag, oktober 13, 2010

Steve Miller herondekt de Blues

Na een zeer lange periode die maar liefst zeventien (17!) jaar duurde bracht Steve Miller dit jaar eindelijk nog eens een nieuwe studioplaat uit onder de welluidende naam ‘Bingo!’. In dit album brengt de meestergitarist hulde aan artiesten als B.B. King, Jimmy Reed, Lowell Fulson en Jimmie Vaughan, die hem de liefde voor de Blues bijbrachten. Voor een groot stuk keert Steve Miller hiermee dan ook terug naar zijn muzikale roots en we waren dan ook zeer benieuwd of dit ook te merken zou zijn tijdens zijn optreden in Antwerpen.
Enig opzoekingswerk vooraf leerde ons dat het al meer dan een kwarteeuw geleden was dat Steve Miller nog eens via een tournee door Europa trok. Vele (oudere) muziekliefhebbers herinneren zich echter nog ’s mans historische doortocht op T/W in het gezegende jaar 1982 alsof het gisteren was. En op de radio is deze artiest eigenlijk nooit echt weg geweest. Zijn hits klinken in iedere geval zeer regelmatig op allerhande FM-zenders en vaak duikt de naam Steve Miller nog op in allerhande lijstjes van invloedrijke gitaristen.
Ondanks deze goede naam en faam moesten we met spijt vaststellen dat de Lotto Arena zondagavond maar matig gevuld was voor wat wel eens de afscheidstournee van deze band zou kunnen worden. Kwam het door de concurrentie (Supertramp én Joe Jackson op dezelfde avond) of zou zijn lange afwezigheid uit de concertzalen hiermee toch iets te maken hebben? We moeten het antwoord op deze vraag schuldig blijven maar konden achteraf niet anders dan spijkerhard vaststellen dat de afwezigen –alweer- eens ongelijk hadden.
Iets over acht viel het doek (met daarop een getekende ‘Space Cowboy’) naar beneden en verscheen The Steve Miller Band te midden van een prachtig decor dat wij misschien het best kunnen omschrijven als een ‘kosmische gitaarwinkel’ .
Na de typische intro spatte een ietwat rommelige versie van ‘Jet Airliner’ uit de luidsprekers hetgeen de geluidsman de gelegenheid gaf om de klank wat bij te stellen. The Steve Miller band, bestaande uit Kenny Lee Lewis (gitaar / bas), Sonny Charles (zang), Gordy Knudtsom (drums), Joseph Wooten (toetsen) en de inmiddels 67-jarige Steve Miller (zang, gitaren) zelve, herpakte echter snel met een lekkere versie van ‘Take The Money And Run’. Maar het gedreven viertal geraakte pas helemaal op dreef bij het spelen van de nummers uit de nieuwe plaat.
Songs als Jimmie Vaughan’s ‘Hey Yeah’ en ‘Don’t Cha Know’ luidden de terugkeer naar de Blues in en toen de met een prachtige soulstem gezegende Sonny Charles de zang helemaal voor zijn rekening nam in ‘Further on up the Road’ retourneerde Steve Miller in de gedaante van wat hij misschien het liefst wil zijn: (blues)gitartist. Op zijn instrument kan Miller zich nog steeds met de allergrootsten uit de muziekwereld meten en vaak deed hij ons denken aan die andere grootmeester, Eric Clapton.
Sonny Charles kreeg onder meer ook tijdens ‘Ooh Ooh Pah Doo’ de solozang toebedeeld en hij deed dit voortreffelijk al vonden we zijn (onnozele) danspasjes er soms toch wel net iets over, maar soit.
Ondertussen wisselde Miller van gitaar als Kim Clijsters van tennisbal en bracht tussendoor eer aan de beroemde gitaarbouwer Les Paul met een lied dat hij vorig jaar op diens begrafenis had gezongen: ‘Nature Boy’. Er volgden enkele akoestische (solo)momenten, eerst het ingetogen ‘Seasons’ en daarna een pakkend ‘Wild Mountain Honey’, opgedragen aan de vorig jaar overleden Norton Buffalo, de gewezen (achtergrond)zanger van The Steve Miller Band.
Vrolijker ging het eraan toe tijdens ‘Dance Dance Dance’, dat zich ontpopte als een stampvoeter van jewelste en daarna bleef het feest tijdens een brok onvervalste Louisiana Swamp Rock genaamd ‘Tramp’. Steve & Band dreven op dit elan verder en gaven beetje bij beetje ook hun oude hits prijs. “Here’s a little magic for yah” sprak Miller en zorgde bij de intro van ‘Abracadabra’ meteen voor een enorme publieksreactie. ‘Living In the USA’ droeg de zanger-gitarist op aan de “Armed Forces in Afghanistan”. Het meer dan veertig jaar oude ‘Space Cowboy’ kreeg tevens een warm onthaal , vooral dan van de fans van het eerste uur.
Daarna gooide Steve zijn hitbox helemaal open. ‘Rock ’n Me’ deed de eerste fans rechtveren, ‘Jungle Love’ weekte er nog een paar tientallen meer los van hun stoel en tijdens de lange en knappe uitgesponnen versie van ‘Fly Like An Eagle’ stond het hele middenplein recht.
‘The Joker’ bleek tenslotte even onvermijdbaar als onverwoestbaar als (enige) bisnummer, waarna we tevreden terugkeken op een uitstekend concert. Na al dat moois bedachten we dat de groep, mocht deze volgend jaar nog willen toeren, ook prima zou staan als headliner op een zomers bluesconcert. Hello, folks from Peer, do you read me? (Meer foto's)

zondag, oktober 10, 2010

Meeting with Horst Fascher

Had gisteren een lang en interessant persoonlijk gesprek met Horst Fascher, de Duitse beschermengel van The Beatles toen de groep in Hamburg verbleef, begin van de jaren '60. Horst, een professionele bokser, werkte als buitenwipper in de Hamburgse nachtclubs waar The Beatles optraden en raakte al gauw met hen bevriend. Hij zorgde er onder meer voor dat ze op zijn bescherming konden rekenen in de buurt van de ongure Reeperbahn, waar de muzikanten vaak bestolen of overvallen werden. Verder liet hij zijn moeder de vuile was voor de Beatles doen en af en toe nodigde hij hen thuis eens uit voor een een lekker eetmaal. In The Star Club mocht Fascher uit dankbaarheid voor dit alles af en toe eens meezingen met de groep. Zo bestaat er een opname waar hij met The Beatles als begeleidingsband 'Hallelujah, I Love Her So' zingt. Fascher mag zichzelf tot op de dag van vandaag een persoonlijke vriend van Paul McCartney noemen, die hem steevast aanspreekt als 'Horsty'.

zondag, oktober 03, 2010

360° Tour van U2 ook onvergetelijk in Brussel

Vorige week speelde U2 het Brusselse Koning Boudewijstadium zoals verwacht plat. Het concert leek in vele opzichten op het openingsconcert dat de groep gaf in Turijn, vorige maand in augustus maar er waren ook verschillen. De openingstune ‘Return of the Stingray Guitar’, splinternieuw in Turijn, klonk in Brussel een stuk meer volwassen. De Turijnse truc met de groen-wit-oranje ballonen, die samen de Ierse vlag vormden, kreeg Brussel niet te zien. Hoewel de setlist van het Brusselse woensdagavond concert lichtjes verschilde (geen ‘The Unforgettable Fire’, ‘Hold Me, Thrill Me, Kiss Me, Kill Me’ en ‘Glastonbury’ maar daartegen wel ‘I Will Follow’, ‘Ultraviolet’ en ‘Mercy’) bleef het leeuwendeel hetzelfde. Dit megaspektakel drijft net iets te veel op een georchestreerde choreografie om veel veranderingen toe te laten. Wie, zoals de meeste mensen, de show één keer ziet heeft hier uiteraard geen last van. De show verbaast en overdondert je zodanig dat je ogen en oren te kort komt. Het spektakel zuigt de toeschouwer van de eerste tot de laatste noot mee. Soms had je wel het gevoel dat je naar een reusachtige videoclip aan het kijken was, maar dan wel ondersteund door live-muziek.
Muzikaal valt er echter weinig af te dingen op de grootsheid van U2. Het is zeker niet de beste band ter wereld, maar wel een hele goede groep die over een groot arsenaal wereldsongs beschikt die weinigen onberoerd laat. Bono mag dan wel een meer dan behoorlijke zanger en een charismatische frontman zijn, U2 onderscheidt zich vooral door middel van de sublieme gitaarklanken van The Edge, die, als door de hand Gods gedreven, hemel en aarde beroeren.
We kunnen het begrijpen dat sommige mensen niet van dit soort massaspektakels houden maar om in dezelfde adem U2 af te doen als een middelmatige of slechte groep is de waarheid geweld aandoen. Er is in dit geval namelijk een goede reden voor hun niet aflatende succes, namelijk de muzikale kwaliteit die U2 telkens weer tijdens hun live concerten etaleert. Het is zeker niet toevallig dat de groep nu al bijna dertig jaar aan de top meedraait. Doorheen de jaren was de band niet alleen creatief maar ook innovatief en hun invloed op massa’s andere groepen valt zeker niet te onderschatten. Groepen als Coldplay en Radiohead (om er maar enkelen te noemen) zijn zwaar schatplichtig aan de Ierse groep en zouden niet bestaan hebben zonder U2, tenminste niet in hun huidige vorm . Chris Martin steekt overigens zijn adoratie voor Bono & Co niet onder stoelen of banken.
Rest er nog de discussie over de klank tijdens het concert. Toegegeven, het geluid in het Stadio Olympico was tijdens elk moment superieur aan wat we in het Boudewijnstadium te horen kregen. Bovendien stonden het volumeknoppen in Brussel constant (net iets) te hoog naar onze smaak. Maar het geluid was, tenminste voor het middenplein, zeker niet slecht. Vijf jaar geleden was dat wél het geval op sommige zitplaatsen. Het zal er wel allemaal wat te maken mee hebben waar je je precies bevond. Maar dat er beter plaatsen zijn dan het nationale voetbalstadium om een mega-concert te organiseren is zeker een feit.
Wij zijn er echter van overtuigd dat U2 de overgrote meerderheid van de aanwezigen een onvergetelijke avond bezorgden. De 360° Tour zal niet alleen de rockgeschiedenis ingaan als een mijlpaal in de categorie (mega) live concerten, maar werpt zich meteen ook op als het ultieme referentiepunt hiervoor. Men kan zich afvragen wie op dit vlak ooit beter zal doen. (Meer Foto's)

maandag, september 20, 2010

Jerry Lee Lewis - Mean Old Man

Wie erin slaagt om drie Stones, één Beatle en daarnaast een heleboel andere muzikale grootheden waaronder Eric Clapton, James Burton, Willie Nelson, Kris Kristofferson en John Fogerty als gastmuzikanten op zijn nieuwste plaat te strikken, heeft per definitie al enige status opgebouwd in de wereld van zowel de country als de rock’n’roll. De man die dit voor mekaar kreeg, Jerry Lee Lewis, maakte mede het genre groot door zijn flamboyante stijl, zijn rebelse houding en vooral oneindig veel talent.
‘Mean Old Man’ is de meer dan waardige opvolger van ‘Last Man Standing’ uit 2006, misschien zelfs een betere, waarin de bijna 75-jarige Jerry Lee nog één keer (voor het laatst?) al zijn trucs uit de kast haalt. Misschien is één en ander te vergelijken met de laatste American albums van generatiegenoot Johnny Cash, maar Jerry Lee doet het natuurlijk wel helemaal in zijn eigen stijl, gaande van pure rock’n’roll over boogie woogie tot heerlijke country. Net zoals bij Cash op zijn laatste platen horen we hier een oudere zanger met een stem die autoriteit uitstraalt, ook al klinkt ze soms breekbaar. In de duetten hoor je meteen wie de meester is en wie de leerling. Jong grut als Kid Rock (‘Rockin My Life Away’) doet er alles aan om als een echte rockheld te klinken, maar als je dan even later Jerry Lee hoort zingen, weet je het wel. Zelfs Mick Jagger houdt zich eerbiedig op de achtergrond op ‘Dead Flowers’, maar zijn hyena-achtig gejank past wel perfect bij de killerstem van Jerry Lee.
De plaat begint trouwens schitterend met de titelsong waarbij Lewis van zalig gitaarwerk wordt voorzien door niemand minder dan Ron Wood. En nu we het toch over gitaarwerk hebben moet u maar eens luisteren naar wat Burton en Clapton laten horen op het heerlijk rockende ‘You Can Have Her’absoluut één van de pareltjes op dit album ook al duurt het nummer niet eens drie minuten. Op de countryballad ‘Middle Age Crazy’ klinkt de killer een stuk meer ingetogen en dat is ook het geval in ‘I Really Don’t Want To Know’ waarbij de onvolprezen Gillian Welch een akoestisch gitaarhandje toesteekt. Maar de mooiste ballad op deze collectie is zeker de hartverscheurende Kristofferson klassieker ‘Sunday Morning Coming Down’ die ons erg aan de oude Johnny Cash doet denken, ook al blijft Jerry Lee ook hier helemaal zichzelf.
Naast een paar min of meer overbodige tracks (‘Please Release Me’ en ‘You Are My Sunshine’) biedt dit album nog vele mooie tot onvergetelijke momenten. Vooreerst is er geniale Stones-cover ‘Sweet Virginia’, dat met enige hulp van Keith Richard van ons een vijfsterren notering meekrijgt, vervolgens een pakkend gospel-country duet met Solomon Burke dat luistert naar de naam ‘Railroad To Heaven’ en verder een hartstochtelijke versie van ‘Will The Circle Be Unbroken’ waarin Mavis Staples mede voor het schone weer zorgt. Ringo Starr mag verder even achter de drumkit plaatsnemen tijdens ‘Roll Over Beethoven’ terwijl John Fogerty in samenspel met Jerry Lee zijn ‘Bad Moon Rising ‘in de strijd gooit. En vergeten we tenslotte de briljante dronkemanshymne ‘Whiskey River’ (samenzang met Willie Nelson) en het solo aan de piano gebrachte ‘Miss The Missississippi’ niet. Heerlijk trouwens hoe Lewis over heel deze plaat de piano beroert en dat brengt ons tegelijk bij de eindconclusie: Nobody sings & plays Jerry Lee Lewis like Jerry Lee Lewis. Een beetje hulp van de vrienden is op ’s mans leeftijd welgekomen maar de ster op dit album blijft in eerste plaats de killer zelve.

maandag, september 13, 2010

Donovan eert Derrrol Adams in Antwerpen

'When I’m Sixty-four” zongen de Beatles op hun legendarische Sgt. Pepper’s album. Laat dit nu precies de huidige leeftijd zijn van de Schotse zanger Donovan Leitch, die tijdens de jaren zestig goed bevriend was met The Fab Four. Hij was erbij toen de groep enige tijd doorbracht in India bij de Maharishi en volgens goed ingelichte bronnen gaf hij aldaar zowel Paul als John (akoestische) gitaarlessen in zijn bekende fingerpicking stijl, hetgeen later resulteerde in songs als ‘Blackbird’, ‘Julia’ en ‘Mother Nature’s Son’, waarbij zowel John als Paul Donovan’s gitaartechniek toepasten. George Harrison hielp op zijn beurt dan weer mee met Donovan’s ‘Hurdy Gurdy Man’ en schreef zelfs een extra strofe voor deze song.
Naast zijn connecties met The Beatles ontmoette Donovan in de jaren zestig ongeveer iedereen van enig muzikaal belang in die periode: Bob Dylan, The Rolling Stones, Jimi Hendrix, Joan Baez, Jimi Page,… de lijst is eindeloos. Zelf scoorde de in Schotland geboren artiest de ene hit na de andere in de sixties, zowel in Europa als in de Verenigde Staten. Tijdens de jaren ’70 ging het echter langzaam bergaf met de carrière en vanaf de doorbraak van new wave en punk verdween de zanger vrijwel geheel naar de achtergrond. Nieuw werk van hem werd meestal door het grote publiek straal genegeerd terwijl allerlei compilaties van zijn oude hits nog wel de weg naar de muziekliefhebbers vonden.
Ook nu nog behoudt Donovan Leitch zijn status als legendarisch sixtiesicoon . Het was de voorbije donderdag dan ook een uitgelezen kans om deze man eindelijk eens live aan het werk te zien op Belgische bodem. Zo’n kleine 1.300 jonge maar vooral oude(re) Belgen, waaronder flink wat bekende gezichten uit de muziek- en theaterwereld, verzamelden in de onvolprezen zaal Roma te Borgerhout. Binnenlopen in deze prachtige concertzaal is al een attractie op zich, vooral als men bedenkt welke muzikale sterren die er in het (verre) verleden nog op de planken hebben gestaan: Ry Cooder, Lou Reed, Iggy Pop, Paul McCartney & Wings,…
Een kwartiertje later dan aangekondigd verscheen de sympathieke Schot op het brede podium van zaal Roma. Hij deelde mee dat het programma uit twee delen zou bestaan, een eerste akoestisch (solo) gedeelte en een tweede deel waarin de zanger begeleid zou worden door zijn band, dit keer bestaande uit Ierse muzikanten.
Donovan zette in met het vrijwel onbekende ‘The Enchanted Gypsy’, zichzelf begeleidend op de akoestische gitaar. Hij zong dit lied met een opvallende Schotse tongval, hetgeen de song een extra folky accent gaf. Vanaf het tweede nummer schakelde de zanger over naar plain English. Het massaal meegezongen ‘Colours’ bracht een warme sfeer in de zaal en kreeg een enthousiast applaus als beloning, maar wie dacht dat Donovan vanaf hier verder zou gaan met zijn hits had het mis.
Er volgden enkele mooie maar (voor ons) meer onbekende nummers, waarna de zanger ode bracht aan mensen die hijzelf bewonderde. Joan Baez bijvoorbeeld, die geëerd werd met een prachtige versie van ‘Dona Dona’. Maar één figuur wilde Donovan, nu hij in Antwerpen optrad, speciaal gedenken, met name de Amerikaanse folk legende Derrrol Adams, die de laatste jaren van zijn leven in deze stad verbleef en er in het jaar 2000 ook zou sterven. Donovan beschouwt deze muzikant nog steeds als zijn grote leermeesters en liet dit blijken door middel van een pakkende versie van zijn eigen nummer ‘Epistle to Derroll’, waarbij hij nog eens de Adams-cover ‘I Wish I Was A Rock’ er als toemaatje bovenop deed. Het moeten ongetwijfeld ontroerende momenten geweest zijn voor de weduwe van Derroll Adams die (waarschijnlijk niet toevallig) dit concert bijwoonde.
En er volgde nog een cover, maar dan wel eentje van een song die Donovan zelf in hoogst eigen persoon heeft groot gemaakt. ‘Universal Soldier’, oorspronkelijk geschreven door de Canadese Buffy Sainte-Marie, is nog steeds één van de meest beklijvende protestliederen uit de jaren zestig. De tekst blijft, jammerlijk genoeg, na bijna een halve eeuw nog steeds brandend actueel. Het akoestisch gedeelte sloot op grandioze wijze af met ‘Catch The Wind’, Donovan’s allereerste hit uit 1965.
De zanger had ons na de pauze de songs beloofd die velen onder ons wilden horen en hij hield woord. Versterkt door een vierkoppige band bestaande uit Ierse muzikanten pakte hij uit met een tweede deel dat enkel en alleen bestond uit zijn bekendste nummers. Aanvankelijk merkte je wel dat Donovan nog niet zo lang met deze groep samenspeelde, al trokken de leden zich wel behoorlijk uit de slag. De aanwezigheid van een synthesizer vonden we wel een beetje jammer, een oude hammond of gewoon een piano was beter op zijn plaats geweest.
‘Jennifer Juniper’ schoot dartel en speels uit de startblokken. ‘Wear Your Love Like Heaven’ bracht ons in licht psychedelische sferen terwijl het oorspronkelijk Zen-Boedhistisch geïnspireerde ‘There is a Mountain’ nu klonk als een vrolijk Jamaicaans feestje. De zanger illustreerde zijn pantomimisch talent door het lurken aan een vette joint te suggereren. ‘First there is a mountain / Then there is no mountain / Then there is.’ Tja, na zo’n joint of tien kunnen we het ons levendig voorstellen!
De bijzonder mooi en intens gezongen versie van ‘Lalena’ bracht ons gelukkig terug met de voeten op aarde en eens te meer beseften we waaraan deze artiest zijn hoge muzikale status verdiende: de man heeft gewoon talent én charisma zat.
‘Sunshine Superman’, een dijk van een song, volgde maar miste de alles verschroeiende gitaarsolo van het origineel. Nee, dan liever het hypnotiserende ‘Season of the Witch’ opgeluisterd door de keyboardspeler die er een Ray Manzarek-achtige solo uitperste.
Het geweldige ‘Hurdy Gurdy Man’ zong Donovan nog steeds met die kenmerkende zware vibrato maar ook hier misten we een goede gitaarsolo middenin. Volgde nog een degelijke ‘Barabajagal’en een heerlijk ‘Mellow Yellow’, waarvan de mensheid nog steeds niet weet of dit nummer nu over een oridinaire banaan dan wel over een vibrator gaat.
Donovan stuurde ons met slechts één bisnummer huiswaarts maar dat kon dan ook tellen voor vijf nummers van het mindere soort. Het muzikale epos ‘Atlantis’ deed dienst als de perfecte afsluiter van een concert dat ons steeds zal bijblijven. We kunnen alleen maar hopen dat Donovan niet nog eens tien jaar wacht om onze contreien op te zoeken. Intussen blijven wij graag Mad about Saffron’ en hopen van u hetzelfde. (Meer foto's)

zondag, augustus 29, 2010

Eric Burdon blijft een (rock)beest

Lessines, of in het Nederlands Lessen, is een stadje gelegen in de provincie Henegouwen, net over de taalgrens en is vooral bekend omwille van het feit dat de beroemde surrealist René Magritte er werd geboren. Sinds enige tijd worden er in het CC Magritte ook uitstekende, vaak Bluesgerichte concerten georganiseerd. Johnny Winter was er in de maand maart al te gast en met Eric Burdon had de organisatie - exclusief voor België - een nieuwe grote naam te pakken.
Het uit Erps-Kwerps afkomstige Ganashake bevestigde in het voorprogramma. Di trio is aardig op weg de Belgische blueshoop in bange tijden te worden. De jonge groep, opgericht in 2009, stond dit jaar ook al op het BRBF, (Ge)Varenwinkel en later nog Binkom Blues geprogrammeerd en bruist van jeugdige energie. Dat ze goed naar de oude platen van Rory Gallagher, The Cream, Jimi Hendrix en Ian Siegel geluisterd hebben hoor je van mijlenver. We onthouden van dit optreden vooral een prima cover van ‘Give Me Back My Wig’ (Hound Dog Taylor), maar zullen een volgende keer toch ook onze oordopjes niet vergeten want deze mannen spelen werkelijk loeihard.
Daarna is het wachten op Eric Burdon, de legendarische zanger van The Animals. Naast zijn verdiensten als artiest, staat de zanger ook bekend als bevoorrechte getuige van de muziekwereld in de jaren ’60 en ’70 en verder nog om allerlei fratsen die hij in zijn persoonlijk leven verrichte. Zo was de man erbij toen zijn boezemvriend Jimi Hendrix stierf in Londen, verjoeg hij ooit de apestonede Jim Morrison uit zijn huis met een magnum .44 pistool, sloeg Johnny Rotten op het gezicht toen die iets lelijks zei over The Animals, werd in een Duitse cel gegooid omdat hij contact onderhield met leden van de terroristische Baader-Meinhof groep, was dikke maatjes met Lennon en John Lee Hooker, werd door Brian Jones (en vele anderen) beschouwd als de beste blueszanger van het blanke ras, beweert nog steeds dat, n.a.v. zijn cover van 'The House of the Rising Sun' Bob Dylan besloot om ook 'electric' te gaan spelen, diende The Who tot voorbeeld om instrumenten te vernietigen op het podium, liet Andy Summers (The Police) in zijn groep debuteren als gitarist,... Een gevuld leven, zeg maar, voor de uit Newcastle afkomstige zanger die er anno 2010 ongeveer uitziet als een kruising tussen een buitenwipper van een ongure stripteasetent en overjaarse Britse voetbalhooligan. Maar artistiek gezien doet dit er uiteraard weinig toe.
Toen na de pauze de zaallichten doofden, bleef het publiek minutenlang in het donker staan, wat aanvankelijk enige ergernis opwekte. Maar het werd al snel duidelijk dat iemand met een ego als dat van Eric Burdon pas opkomt wanneer hij dat beslist. Uiteindelijk verschenen the (vernieuwde) Animals, tegenwoordig bestaande uit Billy Watts (Gitaar), Terry Wilson (Bas), Red Young (Orgel/Keyboards) en Brannen Temple (Drums), dan toch op het podium en openden met een Roxy Music-achtige intro. Pas daarna zagen we Eric Burdon (kop thee in de hand) de kleedkamer verlaten om even later de planken te betreden en vocaal uit te barsten in ‘When I Was Young’. Nu de zanger met zijn 69 lentes in de herfst van zijn leven staat, lijkt de song toch een wat ander perspectief meegekregen te hebben dan het psychedelische origineel uit 1967.
De monsterhit ‘Don’t Let Me Be Misunderstood’ duikt vroeg in de set op en krijgt ook een wat meer eigentijdse (reggae) behandeling, desalniettemin staat de song nog steeds als een huis. Dat is onder meer te danken aan het feit dat er nog geen grammetje sleet zit op de stem van Eric Burdon. De man is immers, tussen het zingen door, nog steeds in staat tot het slaken van een machtige schreeuw waarvan je nekharen pal rechtop gaan staan.
‘San Francisco Nights’ (ook uit 1967) sluimert aangenaam voorbij waarna ‘Red Cross Store’ (2006) dienst doet als het enige recente nummer in de setlist. Even later krijgen we een flard ‘I Don’t Wanna Be A Soldier’ (Lennon) toebedeeld, maar het is wachten op ‘It’s My Life’ tot het concert werkelijk op kruissnelheid komt. De versie die we te horen krijgen leunt dicht aan bij de sound van The Animals anno ‘65. Hammond en keyboards vermengen zich met gitaren en de opzwepende stem van Burdon onderstreept met glans het rebelse karakter van deze song.
Daarna doet Burdon verder waar hij goed in is, namelijk het briljant vertolken van andermans werk op het snijpunt van blues, rhythm & blues en rock’n’roll. Tijdens ‘Boom Boom’ laat de zanger zich van zijn beste blueskant horen. The Animals –vergeef me de woordspeling- rocken als de beesten in het van Ike & Tina Turner bekende ‘River Deep, Mountain High’. Bandleden krijgen ieder erg veel ruimte om te soleren, maar doen dat uitstekend, terwijl de zanger zich dan even op de achtergrond plaatst met een koebel of een tamboerijn. De meer dan verdienstelijke gitarist Billy Watts en ouwe getrouwe Red Young, meesterlijk op Hammond en keyboards, verdienen tijdens deze momenten het meest open doekjes.
Jammer dat Burdon zijn concert ontsiert door af en toe wat onnodig te staan kankeren. Eerst krijgt een sms’end meisje op de voorste rij een “Fuckin’ Hell, I just don’t get it!” naar het hoofd geslingerd en enige tijd later scheldt het Animals opperhoofd een securityman om onduidelijke redenen de huid vol. Als Eric enige tijd later zich zingend afvraagt ‘Why Can’t We Live Together?’ hebben wij een alvast een flauw vermoeden waarom…
Natuurlijk zou dit concert niet compleet zijn zonder een versie van de grootste Animals hit ‘The House Of The Rising Sun’, die onder Burdon’s 60’ties behandeling een bijna mythische status kreeg. Nu kreeg deze klassieker een ‘barkruk’ vertolking met aanvankelijk een akoestische gitaarbegeleiding, die na enige strofes naadloos overging in een volledig elektrische versie. Mooi, maar zeker niet het hoogtepunt van de avond.
Neen, dan genoten we meer van het lang uitgesponnen dynamische bisnummer ‘We Gotta Get Out Of This Place’, waarbij The Animals nog eens alle registers opentrokken en waarbij het CC Magritte langzaam transformeerde in een zinderende dierentuin. (Enig surrealistisch taalgebruik is hier op zijn plaats, dachten we.) Daarna vonden Eric Burdon en de zijnen dat het mooi geweest was. En wij, wij zouden deze nog steeds geniale blanke bluesrot absoluut niet durven tegenspreken.
Dit prima georganiseerd concert verdiende overigens een dikke pluim, die we graag op CC Magritte’s bolhoed spelden. We kijken al uit naar de volgende optredens aldaar. (Meer foto's)

maandag, augustus 23, 2010

Leonard Cohen onberispelijk heer en meester in Gent

Terwijl het afgelopen weekend alle pukkels verzamelen bliezen op een wei in Kiewit, begon Leonard Cohen, de Canadese poëtische veldheer van het hart, aan zijn driedaagse veroveringstocht van Gent. En ook al was de strijd, met drie keer een vol Sint-Pietersplein, op voorhand beslecht, toch keken we reikhalzend uit naar het vrijdagse openingsconcert van de éminence grise van de songschrijverij.
Terwijl de avondzon nog volop scheen en vele mensen enigszins te laat toestroomden, huppelde een onberispelijk geklede Cohen vrolijk het grote podium op, groette de massa hartelijk en zette stemmig in met ‘Dance Me To The End Of Love’. Toegegeven, het voelde ietwat vreemd aan om de man in het daglicht te beluisteren, want we associëren Cohen en zijn muziek toch eerder met de duisternis. Maar veel tijd om hierover te mediteren kregen we nauwelijks want een concert als dit zuigt meteen alle aandacht naar zich toe. Een half dozijn superieur gebrachte klassiekers passeerden de revue (zie setlist), uitmondend in een eerste hoogtepunt: het door de Spaanse bandurriaspeler Javier Mas van een intense intro voorziene ‘Who By Fire’. En Mas is slechts één van de absolute topmuzikanten die de band van Cohen rijk is. Bassist Roscoe Beck schitterde onder meer tijdens hetzelfde nummer, Keyboardspeler Neil Larson toetste de hele avond op hoog niveau, terwijl het spel van gitarist Bob Metzger niet minder dan geniaal genoemd kan worden. Drummer Rafael Bernardo Gayol, Dino Soldo (op allerlei ‘instruments of wind’), achtergrondzangeressen Sharon Robinson en The (sublime) Webb Sisters vervolledigen dit grandioze dectet. Nog steeds neemt de zanger (letterlijk) de hoed af voor zijn groepsleden, waarbij hij hen, volledig terecht, allerlei fraais toedicht. Tijdens vorige concerten deed hij dit soms net iets te vaak, maar de meester heeft ook hierin leren doseren.
Hoewel de setlist voor het grootste deel hetzelfde oogde als deze van zijn vorige Belgische concerten, trakteerde Leonard Cohen zijn publiek toch op drie nieuwe nummers, waarvan er twee teruggrepen naar de Blues en het derde het best kan omschreven worden als een typische Cohen gospel. Het eerste nieuwe nummer, ‘The Darkness”, dook voor het eerst vorig jaar in Leonard’s programma op en is zoals de titel al laat vermoeden een gitzwarte reflectie over het leven in het algemeen en over een (liefdes)relatie in het bijzonder. De song transformeert Cohen meteen tot een dylaneske bluesman, genre ‘Time Out of Mind’. “I caught the darkness baby /Drinking from your cup/ I caught the darkness baby / from your little ruby cup / I said is this contagious? / You said ‘just drink it up’”. Zoals bij elke goede Cohen-song hoeft de meerduidigheid in de lyrics nauwelijks te worden onderstreept.
Het tweede nieuwe nummer ‘Born In Chains’ volgde meteen al op het eerste. Dit gospelachtig lied bezingt de Joodse uittocht uit Egypte, waarschijnlijk als metafoor voor één van Leonard Cohen’s favoriete thema’s: de vrijheid van de ziel.
Na een gesmaakt bezoek aan het ‘Chelsea Hotel’ en een intens ‘Anthem’ stuurde de zanger ons omstreeks half tien de pauze in. Tijd om even de benen te strekken en van gedachten te wisselen over de unieke prestatie van de nu toch al bijna 76-jarige Canadees. “Leonard Cohen is één van de allerbeste performers ter wereld” was een veelgehoorde klank. We konden dit alleen maar stellig beamen.
Het begin van het tweede deel viel ongeveer samen met de ingevallen duisternis over het Gentse Sint-Pietersplein. Cohen, staande achter een synthesizer, bracht vocaal ondersteund door Robinson en The Web Sisters eerst een doorleefde versie van één van zijn lijfliederen ‘Tower Of Song’. Leonard’s onverwoestbare klassieker ‘Suzanne’, werd zoals verwacht onthaald op een zomers applaus en een paar songs later toverde de zanger met ‘Feels So Good’ het laatste, en misschien wel sterkste, nieuwe nummer uit zijn herenhoed.
Ook nu weer moesten we onwillekeurig aan Dylan denken. Het bluesy ‘Feels So Good’ is slechts zeer recent aan Cohen’s setlist toegevoegd en de tekst durft tijdens zijn laatste optredens al eens te variëren, alsof de definitieve versie nog niet gevonden werd. In dit bittere lied lijkt de singer-songwriter af te rekenen met een oude geliefde, zonder zich er evenwel helemaal van te kunnen bevrijden, ook weer typisch Cohen natuurlijk. “Feels so good / not to love you like I did / It’s like they tore away the blindfold and they said we’re gonna let this prisoner live”.
Tijdens het laatste deel van het concert plukte de zanger naar hartelust verder pareltjes uit zijn rijk gevulde oeuvre. Sharon Robinson kreeg haar moment de gloire tijdens ‘Boogie Street’. ‘Hallelujah’ dreef op een orgelbegeleiding waar alle Gentse kerken en kathedralen van droomden en tijdens de uitgebreide bisrondes wist vooral het blauwverlichte ‘Famous Blue Raincoat’ tot in de ziel te raken.
Vermelden we tenslotte nog een door The Webb Sisteres engelachtig naar de sterren gezongen ‘If It Be Your Will’, een feestelijk ‘Closing Time’ en een ultiem ‘I Tried To Leave You’ en u zal begrijpen dat Gent helemaal aan de voeten lag van de Canadese meester.
First he took Bruges, Brussels, Antwerp & Ghent and then he’ll take… Hasselt? Limburgers, hou jullie alvast klaar volgend jaar. (Meer foto's)

dinsdag, augustus 17, 2010

Jazz-zangeres Abbey Lincoln overleden in New York

Nooit vergeet ik het concert dat ik van Abbey Lincoln zag in de Ancienne Belgique in 1999. Je kon bij momenten een speld horen vallen, de intensiteit die ze wist op te bouwen was vaak adembenemend. Je kon merken dat ze sterk beïnvloed was door Billie Holiday, maar tegelijk ook genoeg persoonlijkheid had om vooral zichzelf te zijn. Samen met haar echtgenoot Max Roach streed ze jarenlang tegen de discriminatie van de zwarten in Amerika en ook dat was vaak te horen in haar teksten. Op haar laatste prachtige plaat ‘Lincoln sings Lincoln’ (2007) kreeg ze onder meer de hulp van gitarist Larry Campbell (die jarenlang met Bob Dylan toerde). Met het overlijden van Abbey Lincoln verliest de jazz één van haar meest markante vrouwelijke stemmen. De zangeres werd 80 jaar.

maandag, augustus 16, 2010

Meeting Jerry Schilling from the Memphis Maffia









Jerry Schilling (Memphis, 1942) ontmoette Elvis reeds in 1954. Al snel werd hij bevriend met Presley en hij zou tot 1977 één van zijn naaste vertrouwelingen blijven. Jerry schopte het tot jongste lid van de zogenaamde 'Memphis Maffia', de onmiddellijke entourage van Presley. Deze man was erbij toen Elvis The Beatles ontmoette in 1966, ging mee op tournee met de King, hing jarenlang rond in Graceland en ontmoette samen met Elvis president Nixon in The Oval Office. Voor zijn bewezen diensten kocht Elvis het huis waar Schilling tot op de dag van vandaag nog steeds in woont. Schilling was ook één van de mensen die de kist van Elvis droeg op diens begrafenis. Enkele jaren geleden schreef Jerry Schilling zijn herinneringen neer in het boek 'Me And A Guy Named Elvis'. Elvis Presley stierf vandaag precies 33 jaar geleden.

donderdag, augustus 12, 2010

U2 opent in Turijn met wereldklasse

Wie zoals wij van muziek houdt én graag reist, krijgt af en toe de kans om een dubbelslag te slaan en aangezien onze vakantiewegen dit jaar de schitterende Italiaanse stad Turijn doorkruisten, konden we niet aan de drang weerstaan om het eerste U2 concert mee te maken van de third Leg of the 360° tour. Het integrale tweede deel van de tour werd door de groep gecancelled omwille van gezondsheidproblemen van zanger Bono. De brave man sukkelde namelijk met een serieuze hernia, die hij had opgelopen de dag na zijn vijftigste verjaardag. Dit zette de groep maandenlang op non-actief, tot grote wanhoop van tienduizenden fans die de Amerikaanse concerten van de Ierse groep op hun buik konden schrijven.
Er werd dan ook aardig gespeculeerd over wat de band er in Turijn zou van bakken. Zou Bono wel fit genoeg geraken voor een nieuwe Europese tournee? Klopte het dat de groep nieuwe nummers had ingestudeerd? Wat mochten we eigenlijk nog verwachten van U2, nu Bono de kaap van de vijftig voorbij is? Zou Turijn een afgang worden en lag de lijkwade voor Bono al klaar? Bewust van dit soort vragen waar het internet dagenlang van gonsde, bereidde de groep zich bijzonder goed voor op dit openingsconcert. Met de regelmaat van de klok berichtten fans die kampeerden voor het Stadio Olympico (de thuisbasis van zowel Juventus als FC Torino) over grote U2 bedrijvigheid en lange repetitierondes. Op de vooravond van de grote dag werden deze trouwe fans na de ultieme repetitie trouwens door Bono & Co getrakteerd op zowel pizza als op handtekeningen van zichzelf en de andere groepsleden, hetgeen scènes opleverde die op de morgen van de zesde augustus zowat alle Italiaanse kranten sierden.
De Britse groep Kasabian kreeg dit keer het voorprogramma toebedeeld. De band die in Engeland al een paar jaar lang brokken maakt (onder meer als winnaar van diverse muziekprijzen zoals de Brit Award voor ‘beste groep’) en in de UK stilaan Oasis naar de kroon steekt, deed het meer dan behoorlijk in Turijn. Lefgozer Tom Meighan bewees (net zoals hij in de AB enkele maanden geleden liet zien) dat hij weet hoe hij een (groot) publiek moet bespelen. Bovendien heeft Kasabian met Sergio Pizzorno een klassebak van een gitarist in huis. Met song als ‘Where Did All The Love Go?’, ‘Vlad The Impaler’ en vooral ‘Fire’ (door MOJO nog verkozen tot song van het voorbije jaar) oogstte Kasabian bij de Italianen net iets meer dan het gebruikelijke beleefdheidsapplaus, wat op zich geen slecht resultaat was want iedereen wachtte natuurlijk op de supergroep uit de Ierse Republiek.
U2 liet op zich wachten tot op het moment van volledige duisternis. Op de tonen van Bowie’s ‘Space Oddity’ beklommen Bono, The Edge, Adam Clayton, Larry Mullen Jr. het immense podium en zetten meteen een splinternieuw instrumentaal nummer in, waarvan we later horen dat het ‘Return of the Stingray Guitar’ heet. 42.000 uitzinnige Italianen juichen de zwartlederen, uitdagend dansende Bono luidkeels toe. De eerste rijen vormen met honderden groen , wit, oranje gekleurde papiertjes de wapperende Ierse vlag. Wat verder zwaaien dolenthousiaste mensen met ontelbare rode ballonnetjes, duizenden fotoflitsen verlichten het stadium, kortom: feest! ‘To-ri-noooo’ schreeuwt Bono en meteen daarna jaagt The Edge de intro van ‘Beautiful Day’ het universum in, waarop het stadium even later bij het refrein helemaal op zijn grondvesten davert. Werkelijk iedereen klapt en zingt mee, quasi onmogelijk om hiervan niet onder de indruk te geraken. ‘What Time Is It In The World?’ wilde Bono retorisch weten. Het daarop volgende ‘Magnificent’ is opnieuw een schot in de roos. The Edge laat zijn gitaar stotteren en stuiten, Adam en Larry houden het ritme strak, het ‘Only Love’-stukje krijgt opnieuw een massale samenzang. …
Zo davert de U2 pletwals onverstoort verder over het nachtelijke Turijnse Stadio Olympico . Klassenummers als ‘Mysterious Ways’ en ‘I Still Haven’t Found What I’m Looking For’ zetten de plek eens te meer in vuur en vlam. Tussendoor laat Bono de Italianen eventjes ‘Happy Birthday’ zingen voor de pas twee dagen later jarige The Edge (49). Even later vraagt de zanger onze onverdeelde aandacht voor een nieuwe song, ‘Northstar’ genaamd. Stadiumverlichting gaat uit en duizenden aanstekers en mobiele lichtjes zijn een tijdlang de enige verlichting in de arena. Het nummer zelf is een akoestisch pareltje dat moeiteloos zijn weg naar de sterren vindt. Alsof dat nog niet genoeg is trakteert U2 ons daarna nogmaals op een splinternieuw nummer dat de titel ‘Glastonbury’ meekreeg, opgedragen aan het bekende muziekfestival (waarop zowat alle bekende artiesten ooit hebben gestaan, behalve U2 zelve). ‘Glastonbury’ blijkt een oerstevige rocksong van typische U2-signatuur (genre ‘Vertigo’) en stevent ongetwijfeld af op een mooie (Live) toekomst. Tot zover de primeurs, dachten Bono en zijn orkestje die daarna weer overschakelden op bekend materiaal
We onthouden vooral het aardige ‘In A Little While’, begeleid met videobeelden van ‘onze’ Frank De Winne, het deels in het Italiaans gezongen ‘Miss Sarajevo’, het wonderschone ‘City Of Blinded Lights’ en het onvermijdbare ‘Sunday Bloody Sunday’. Bono, de wereldverbeteraar maakte ook nu weer wat welgemeende promotie voor Amnesty International en via een videoboodschap van de Zuid-Afrikaanse Bisschop Desmond Tutu leerden we dat we ons als ‘ONE’ moesten gedragen, hetgeen dan weer een goede aanleiding bleek om de song met dezelfde titel de arena in te sturen. Vermelden we tenslotte nog ‘With Or Without You’ en ‘Moment of Surrender’ als ultieme orgelpunten van een concert dat ons nog lang zal bijblijven. We konden niet anders dan concluderen dat U2, met een magnetiserende frontman als Bono , een vlijmscherpe gitarist als The Edge en last but not least een ijzersterke ritmesectie als die van Clayton en Mullen absolute wereldklasse blijft.
Tijdens het verlaten van de Italiaanse voetbaltempel bemerkten we alleen maar tevreden gezichten. De niet officiële merchandising die overal in de straten van Turijn werd aangeboden verkocht nog tot diep in de nacht als zoete broodjes. De volgende morgen blokletterde ‘La Stampa’: ‘U2 a Torino, concerto leggenda per i santi rockettari’. Geen woord van gelogen.
Toch geven we nog graag deze uitgeleide mee: wie sowieso allergisch is voor dit soort megaconcerten, blijft in september best weg uit het Koning Boudewijnstadium. Maar voor anderen, die niet schuw zijn voor uitvergrote showelementen, genre The Rolling Stones op Werchter, is deze 360° tour van U2 een stevige aanrader.
(Meer Foto's of Lees)

woensdag, augustus 11, 2010

Alice Cooper springlevend in ’Theater des Doods’

Voor het eerst stond er op de Lokerse Feesten een heuse metaldag op het programma. Drie groepen (Anthrax, Papa Roach, Life of Agony) lieten we gewillig aan ons voorbijgaan, maar voor goede ouwe Alice Cooper wilden we wel nog graag onze aandacht helemaal op scherp stellen. Het formidabel concert dat de shockrocker vorig jaar gaf in Zottegem zat immers nog fris in het geheugen. Een beetje vreesden we om krék dezelfde show te zullen meemaken als toen, maar dat bleek gelukkig niet het geval.
Om de show die de man opvoert is het natuurlijk deels te doen, maar wie denkt dat dit volledig ten koste gaat van de muziek is slecht geïnformeerd. Cooper weet zich de laatste jaren immers te omringen met een horde jonge muzikanten die spelen met de gretigheid van hongerige wolven die bloed ruiken (wat in het geval van Alice Cooper wel eens zou kunnen, al zal het hier dan wel om namaakbloed gaan). Moord en doodslag blijft immers hét centrale thema in Alice’s ‘Theatre of Death’ tour. Maar terwijl Cooper tijdens zijn beginjaren hiermee de mensen echt nog kon shockeren, is het nu allemaal vaudeville geworden, doorspekt met humor. Het belangrijkste blijft echter wel dat het werkt en dat is zeker het geval want vervelen doe je je geen moment.
Cooper, bijzonder goed bij stem in Lokeren, opende sterk met ‘School’s Out’, dat gezien de tijd van het jaar op veel meeval van het jeugdig publiek kon rekenen. ‘No More Mr. Nice Guy’ dat daarop volgde, maakte meteen de levensfilosofie van de Amerikaan duidelijk: ‘Hoera, vanavond mag ik de ondeugende zijn!’ ‘I’m Eighteen’, een leugentje om bestwil zullen we maar denken, zong Alice met de overtuiging van een rebelse tiener. De aanwezige jeugd in Lokeren scandeerde de song met opgestoken duivelshandjes uit volle borst mee. Omdat stout zijn gestraft dient te worden en schuld onvermijdelijk tot boete leidt, werd de zanger met grote gebaren in een dwangbuis geduwd. Het zingen lukte tijdens ‘Wicked Young Man’ en ‘Ballad of Dwight Fly’ echter nog wonderwel en onze held slaagde er zelfs in om zich uit zijn benarde positie te bevrijden, daarna een vrouw (gespeeld door zijn dochter, Calico) te mishandelen en deze later ook te wurgen (‘Only woman Bleed’). Omwille van al deze fratsen diende onze sympathieke rocker te worden veroordeeld tot de dood op het schavot. Na enkele glanzende gitaarsolo’s (die er mochten zijn) van zijn meestergitaristen Chuck Garric, Damon Johnson en Keri Kelli verrees de zanger een tijdje nadien gelukkig weer uit den dode om later in de show nog eens te worden doodgespiest, te sterven aan de galg of doorboord te worden door een reuze injectienaald. ‘I Love The Dead’ klonk het feestelijk door de boxen en we moeten toegeven dat sterven nooit zo sexy oogde dan op Alice’s manier. Er zit bij de zwaar geschminkte rocker misschien meer dan één vijs los, maar daar is in feite niks mis mee, integendeel.
Maar moest het alleen maar om theater gaan, konden we beter naar de schouwburg trekken. Gelukkig trakteerde Cooper, tussen het doodgaan door, ook nog op enkele van zijn meest onweerstaanbare klassiekers. Zo smaakte gif nog nooit zo zalig als in het massaal meegebrulde ‘Poison’. ‘Billion Dollar Babies’ daverde als een zware fiets op kinderkopjes, wat eveneens het geval was bij ‘Feed My Frankenstein’.
Maar Alice Cooper haalde pas helemaal zijn slag binnen tijdens het ijzersterke ‘Elected’, waarbij hij volledig gekleed in een ziveren glitterpak, wild met de Belgische driekleur zwaaide. ‘I Know there are troubles in Brussels and Antwerp, but you know what? I don’t care!’ liet Alice tussendoor ook even weten in zijn verkiezingsspeech. Daar konden De Wever en Di Rupo nog eens een puntje aan zuigen! Een enthousiast onthaalde herneming van ‘School’s Out’ sloot het concert op vlammende wijze af. Alice Cooper blijft een uniek stukje muziektheater dat we iedereen durven aanraden. (Meer foto's)

maandag, juli 26, 2010

Fogerty triomfeert op Kick-Off Suikerrock

Doors: 19 uur, stond er in grote letters op de affiche en rondom dat tijdstip openden Robbie Krieger en Ray Manzarek, de originele Deuren van weleer, het Suikerrockfestival. We zagen de overlevers van de legendarische groep al een paar keer eerder aan het werk tijdens de voorbije jaren. Onder de namen ‘Doors of the 21th Century’ en daarna ‘Riders On The Storm’ leverden Krieger, Manzarek & Co in het verleden telkens gedreven concerten af, waarna wij, als volbloed Doors-fans, tevreden huiswaarts keerden. Tijdens deze periode mocht Ian Astbury (The Cult) de rol van Jim Morrison vertolken en deze kwijtte zich behoorlijk van zijn taak. Na Astbury kreeg Brett Scallions (Fuel) zijn kans om in de huid van Morrison te kruipen. Niet lang, want hij werd al spoedig de laan uitgestuurd.
In Tienen stond een Kroatische zanger, met een naam die een beetje klinkt als een ex-joegoslavische oorlogsmisdadiger, achter de microfoon. Miljenko Matijevic zag er niet alleen uit als een gebuisde deelnemer van Idool van de Balkan maar klonk ook zo. Geen enkel moment kwam zijn act geloofwaardig over en ook muzikaal boterde het niet. Van een machtige song als ‘Break On Through’ bleef geen spaander heel. ‘When The Music’s Over’ deed ons verlangen naar het moment dat in de songtitel beschreven staat. Maar het werd nog genanter als de 71-jarige Manzarek het volk aanzette tot het gebruik van marihuana en LSD. Krieger, met Morrison T-shirt en een broek die Prins Carnaval jaloers zou maken, degradeerde samen met zijn makkers ‘Alabama Song’ tot een onnozele hoempapa, die –in het beste geval- nog door mijn suikertante kon worden gesmaakt. Het Tiense publiek pikte dit echter zonder morren en zwaaiden met de armen alsof er opnamen gemaakt werden voor ‘Tien om te Zien’. ‘Love Me Two Times’ zong Matijevic daarna schreeuwerig met gebalde vuisten. We konden alleen maar hopen hiervan gespaard te blijven. Van dit machogedoe, verlos ons Heer. De gitaarintro van Krieger bij ‘Spanish Caravan’ kon nog enigszins boeien maar afsluiter ‘Light My Fire’ genereerde op geen enkel moment een orgastische steekvlam zoals in verleden want tot meer dan een uitdovend waakvlammetje bleken deze klapdeuren niet in staat. Doodjammer.
Kort daarna was het de beurt aan John Fogerty. Vanaf de eerste noot wisten we dat dit geheel andere koek zou worden. ‘Hey Tonight’ schoot vurig uit de starttblokken. ‘Green River’, één van CCR’s allerbeste nummers, beet van zich af als een stel hongerige alligators in de Mississippi., waarna Fogerty met ‘Who’ll Stop The Rain’ een eerste kippenvelmoment opdiende. Ongelooflijk met wat voor straffe band Fogerty voor de dag kwam. De volledig uit graniet opgetrokken Kenny Aronoff, één van de sterkhouders uit deze groep, heeft al jaren zijn plaats in de Champions League der drummers verdiend. Op elk moment slaat hij spijkers met koppen. Maar ook de andere bandleden mochten er wezen. Op een bepaald moment stonden zes (6!) gitaren prinsheerlijk naast mekaar te jengelen. Nu en dan hoorden we vleugjes country passeren, waarbij viool en mandoline vlotjes bij het instrumentarium werden gevoegd. Eigenlijk bestond dit concert enkel en alleen maar uit hoogtepunten, maar omdat we u horen aandringen willen we graag toch nog enkele namen noemen. Het weergaloze ‘Ramble Tamble’ bijvoorbeeld, dat rockte als de beesten zoals alleen de beesten en Forgerty kunnen rocken. Een stel mooie covers als ‘Pretty Woman’ en ‘Summertime Blues’ waarin Fogerty zijn hele ziel prijsgaf. En wie voor de vierslag ‘Bad Moon Rising’, ‘Fortunate Son’, ‘Rocking All Over The World’ en ‘Proud Mary’ niet door de knieën gaat is een houten Klaas of heeft iets verkeerd gegeten. Game, Set, Match: John Fogerty!
Even voor elven was het tijd voor de bekendste Amerikaanse baarden uit de rockwereld. Soms vragen wij ons vertwijfeld af waar die mannen met hun verstand zaten toen ze hun look uitvonden. Zoiets moet na veertig lange jaren toch om gek te worden zijn. Of God. Hoe dan ook, met het schitterende concert van Vorst 2009 nog fris in ons geheugen stonden onze verwachtingen hoog gespannen.
ZZ Top zette lauw in met ‘Got Me Under Pressure’, dat de belofte uit de songtitel geenszins waarmaakte. Zanger Billy Gibbons zag er wat vermoeid uit (druk tourschema) en was (mogelijk hierdoor) duidelijk slecht bij stem. Daarenboven stond het volume veel te laag en haalde de groep zelf de vaart uit hun optreden door al te vaak hun nummers te onderbreken, alsof ze zich om één of andere reden moesten inhouden. Het tempo bleef sowieso te traag. Toppers als ‘I’m Bad I’m Nationwide’ en ‘Cheap Sunglasses’ braken daardoor geen potten maar verzonken in een egale geluidsbrij. De Hendrixcover ‘Hey Joe’ klonk even later nog wel aardig, maar daarna leek zowat elke song een kopie van de vorige. De finale met ZZ Top klassiekers ‘Give Me All Your Lovin’’, ‘Sharp Dressed Man’, ‘Legs’ en ‘La Grange’, allen ondersteund door leuke videobeelden op groot scherm, schudde de massa nog wel wakker maar tot de verwachte zegetocht leidde dit helaas niet meer. We kunnen alleen maar vurig hopen dat de heren Gibbons, Hill & Beard tijdens het najaar in Vorst uit een ander vaatje zullen tappen.
Tenslotte mocht Zaki, de Vlaamse godfather der DJ’s, de avond afsluiten achter zijn draaitafel. ‘(I Can Get No) Satisfaction’ knalde als vanouds gemeen(d) uit de boxen.
(zie foto's)

donderdag, juli 22, 2010

Bluesoogst in Peer viel magertjes uit

Vol verwachting trokken wij ook dit jaar naar de Hoogmis van de Blues in Peer maar het werd een beetje een tegenvaller. De namiddag was nochtans goed begonnen. Dankzij Dwayne Dopsie & The Hell Raisers en hun onweerstaanbare Zydeco muziek sloeg de vlam al vroeg in de tent. Dopsie, een uitstekende accordeonist en zijn uitstekende band waarin een fantastische wasbordspeler fungeerde, brachten een hele set lang muzikaal vuurwerk. Daarna mocht de legendarische Booker zijn kunstjes tonen op de Hammond B-3. Instrumentals als ‘Green Onions’, ‘Hip Hug-Her’ en ‘Soul Limbo’ speelde hij naar de hemel, maar als zanger / gitarist schoot de sympathieke Booker toch wat te kort. Eli Paperboy Reed lieten we al snel aan ons voorbijgaan, wegens te veel Amerikaanse poeha en te weinig origineel. Geen nood, dachten wij want wij hadden ingezet op Van Morrison. Het bleek achteraf een verkeerde gok. De humeurige Noord-Ier slaagde er wel in de dranktenten enige tijd plat te leggen, tot groot ongenoegen van het publiek die hem daarvoor, bij zijn aantreden, op een verdiend fluitconcert trakteerden, maar zelf bakte hij van zijn optreden helemaal niks. Muzikale impotentie is zowat de enige omschrijving die we aan Morrison’s gemompel- want zingen kunnen we die nauwelijks noemen - kunnen toeschrijven. Niemand, zelf Gloria niet, kon het zinkend schip van Van The Man redden. En aangezien dit het derde slechte concert op rij was waarvan we het ongenoegen hadden om het mee te maken, zal er veel overredingskracht nodig zijn om ons nog een volgende keer te mobiliseren als Morrison in het land is. Afsluiter Canned ‘We- stoppen-pas-als-we-doodvallen’ Heat stelde niet teleur, maar konden ons toch ook geen volledig concert lang boeien. ‘On The Road Again’ en ‘Going Up The Country’ blijven echter songs die we eeuwig in het hart zullen dragen. Maar de Perenoogst anno 2010 bleef desalniettemin toch wat magertjes. Mag het volgend jaar terug iets meer zijn? (Klik op de collage bovenaan om te vergroten)

maandag, juli 19, 2010

Flip Kowlier en The Original Wailers laten het zomeren








De symphatiekste onder alle West-Vlaamse artiesten stond in het Rivierenhof misschien net iets te vroeg geprogrammeerd. Het volk stroomde nog volop binnen toen Flip Kowlier en zijn Moaten, bestaande uit een full band, inclusief twee fijn bewegende achtergrondzangeressen, hun set inzetten met ‘Zwembad’. Al snel gooide hij ‘Mo Ban Nin’ er tegenaan, zijn grootste hit uit zijn nieuwste plaat ‘Otoradio’, waarvan we even later ook nog het titelnummer voorgeschoteld zouden krijgen.
Uit de bindteksten onthielden we dat Flip van wel degelijk van Antwerpen houdt en dat hij –origineel als hij is- af en toe zichzelf covert, hetgeen hij inderdaad bewees met leuke herwerkte versies van ‘Grootste Lul van’t Stad’ en ‘Welgemeende’. De Izegemse bard bracht alles bij elkaar een gesmaakte combinatie van ska, reggae en Vlomsche Popmuziek. ‘Mama (No Wo Homme Hon?)’ bleek andermaal een voorbeeldige getuigenis dat de nieuwe plaat van Kowlier deugt. Alleen jammer dat het publiek zich wat tam gedroeg (de warmte?) want Flip & orkest verdienden meer dan alleen maar wat doordeweeks applaus. Het laatste nummer ‘Is dit alles?’, een cover van Doe Maar bracht wel wat meer sfeer in het openluchttheater en had hij toen nog een uurtje kunnen doorgaan was de hele zaak misschien wel ‘In de Fik’ gegaan. Maar die kans kreeg Flip Kowlier en de zijnen helaas niet, want inmiddels stond de artiestenbusje, met daarin The Original Wailers al klaar.
Hoe origineel de The Original Wailers anno 2010 precies nog zijn is nog altijd de vraag. Terwijl pakweg twintig jaar geleden The Wailers Band nog bestond uit een pak meer originele leden (waaronder Aston ‘Family Man’ Barett en Tyrone Downie) en daarenboven geregeld optraden met de orignele I-Trees, spelen in het huidige sextet enkel nog Junior Marvin en Al Anderson mee. Dit duo kreeg in het Rivierenhof het etiket ‘original’ Original Wailers opgeplakt. En we moeten toegeven dat deze voormalige dienaren van de Reggaekoning de muzikale erfenis van hun voormalige broodheer Bob Marley met zorg uitdroegen. De groep bracht een set bestaande uit bekende en minder bekende Marleysongs, aangevuld met wat eigen materiaal dat er mocht zijn.
Met opener ‘Natty Dread’ lokten The Orinal Wailers meteen een groot deel van het Antwerpse publiek naar voren om zich de rest van de avond op de tonen van de heilige reggaemuziek te komen uitleven. Dit volkje bestond waarlijk uit mensen tussen zeven en zevenenzeventig jaar oud. Ouwe landrotten en rastafari’s zowel blank als zwart, dansten schouder aan schouder met vaders en zonen, moeders en dochters. De muziek van Bob Marley verenigt alle leeftijden want is per definitie tijdloos, zoveel is zeker. Jah knikte glimlachend in de coulissen en zag dat het goed was.
Maar terug naar de muziek. ‘Positive Vibration’ is de energie waar alles bij de rastafari’s allemaal om draait en de song werd dan ook flink meegebruld door alle gelovigen. ‘War’ klonk fel, al had het niet de opruiende kracht die Marley er ooit aan gaf. Junior Marvin nam vaak de zangpartijen voor zijn rekening al kreeg keyboardspeler Desi Hyson hiervoor ook zijn kans. Al Anderson blonk de hele avond uit op leadgitaar, maar trok met zijn gitaarspel soms net iets te veel aandacht naar zich toe met partijen die richting metal dreigden te evolueren. Keep it simple, Al!
Eén van de hoogtepunten van de avond volgde met een heerlijke versie van ‘Stir It Up’, quasi perfect door de groep met Marley’s oudgedienden neergezet. ‘Forever Lovin’ Jah’ prees de Heer terwijl stilaan allerlei Ganja luchtjes het luchtruim voor het podium vulden.
Eigen nummers als ‘Solution’, ‘We’re The Children’ en ‘Black Bird Fly’ moesten de aandacht trekken op de nieuwe cd van deze groep die begin volgend jaar uitkomt. Het zal dan tevens dertig jaar geleden zijn dat Bob Marley voorgoed naar de eeuwige rastavelden verdween. Onnodig te zeggen dat deze songs de vergelijking met de Marley klassiekers niet echt konden doorstaan, al klonken ze zeker niet verkeerd. Nieuw materiaal houdt een band als deze, die toch al vooral retro nummers ten gehore brengt, levendig. Het publiek bedankte met beleefd applaus.
Verder vonden we het aangenaam dat The Original Wailers naast het overbekende werk van Marley ook voor minder bekende songs van de grootste reggaeartiest allertijden kozen. Denken we bijvoorbeeld maar aan half vergeten pareltjes als ‘We And Dem’, ‘Heathen’ of zelfs ‘Pimper’s Paradise’.
Wie tenslotte nog eens uitstekende versies van ‘Buffalo Soldier’, ‘Three Little Birds’ en het ultieme ‘Jammin’’ als uitsmijter ten gehore krijgt, mag Jah, The Lord dankbaar zijn. Vol van genade reden wij met de reggaeritmes nog in ons hoofd helemaal terug naar Babylon (omdat wij de wegwijzers naar Jamaica helaas niet meer konden vinden). Rastafari! (Foto's: hier en hier)